ECLI:NL:CRVB:2004:AR2469
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Beoordeling proceskostenvergoeding en griffierecht in hoger beroep tegen WAO-besluit
In deze zaak staat het oordeel van de rechtbank over de proceskostenvergoeding en het griffierecht centraal. Appellant had beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op een bezwaar tegen een herziening van zijn WAO-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Wel werd appellant proceskostenvergoeding toegekend voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen, maar geen vergoeding van het griffierecht.
Appellant ging in hoger beroep tegen deze beslissingen. De rechtbank had bij de proceskostenvergoeding een wegingsfactor van 0,25 gehanteerd, conform de lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), terwijl de Centrale Raad van Beroep (CRvB) doorgaans een hogere factor van 0,5 hanteert. Ook ten aanzien van het griffierecht was er een verschil in jurisprudentie tussen CRvB en ABRvS.
De Raad overweegt dat in dit soort zaken de lagere wegingsfactor van 0,25 passend is, mede omdat het niet tijdig beslissen niet door gedaagde is betwist en het bestreden besluit relatief kort na het beroepschrift is genomen. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat het geacht wordt mede te zijn voldaan voor het beroep tegen het bestreden besluit zelf, dat ongegrond is verklaard. De Raad ziet geen reden om hiervan af te wijken en bevestigt het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de proceskostenvergoeding met een wegingsfactor van 0,25 wordt berekend en het griffierecht niet wordt vergoed.