ECLI:NL:CRVB:2004:AR2640
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WW-uitkering ondanks overschrijding redelijke termijn
In deze zaak staat de terugvordering van een onverschuldigd betaalde WW-uitkering centraal, omdat appellant inkomsten uit arbeid had verzwegen. De uitkering werd met terugwerkende kracht ingetrokken over de periode van december 1991 tot december 1994. Appellant maakte bezwaar en voerde onder meer aan dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, wat volgens hem de terugvordering zou moeten verhinderen.
De Raad overwoog dat de totale duur van de bezwaar- en beroepsprocedures inderdaad de redelijke termijn had overschreden. Echter, de vertraging was niet hoofdzakelijk toe te rekenen aan het bestuursorgaan, maar mede aan appellant zelf, die onvoldoende informatie verstrekte en diverse malen uitstel vroeg. Ook de rechterlijke procedures kenden aanzienlijke vertragingen, waarvoor geen rechtvaardiging werd gezien.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank dat de terugvordering terecht was vastgesteld. De overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot het ontstaan van aanspraken die niet op de wettelijke regeling berusten. Voor eventuele schade door de lange procedure moet appellant zich tot de burgerlijke rechter wenden.
De uitspraak benadrukt de noodzaak van tijdige informatieverstrekking door belanghebbenden en bevestigt dat procedurele vertragingen niet automatisch leiden tot het vervallen van terugvorderingsrechten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de WW-uitkering ondanks de overschrijding van de redelijke termijn.