ECLI:NL:CRVB:2004:AR2642
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- W.M. Levelt-Overmars
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en weigering ziekengeld in hoger beroep
Appellant, arbeidsongeschikt sinds 1993 door een enkelbreuk en diverse medische aandoeningen, werd herbeoordeeld op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast die resulteerden in een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, welke werd bevestigd door de arbeidsdeskundige en bezwaarverzekeringsarts.
Appellant voerde aan dat zijn beperkingen sinds 1996 niet waren verbeterd en dat medische rapporten van neurologen en acupuncturisten dit onderschreven. De Raad achtte deze rapporten echter niet doorslaggevend, gezien de objectieve verbetering in gezondheid en het ontbreken van een medische oorzaak voor de pijnklachten. Daarnaast was er geen aanleiding voor nader medisch onderzoek.
Met betrekking tot het ziekengeld over de periode van 13 september tot 7 oktober 2001 oordeelde de Raad dat appellant toen arbeidsgeschikt was en dat het recht op ziekengeld terecht werd geweigerd vanaf 8 oktober 2001. Het beroep tegen deze weigering werd ongegrond verklaard. De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het besluit op bezwaar van 4 februari 2002 niet-ontvankelijk.
Uitkomst: De Raad bevestigt de vaststelling van 35-45% arbeidsongeschiktheid en verklaart het beroep tegen de weigering van ziekengeld ongegrond.