ECLI:NL:CRVB:2004:AR2651

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/3088 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
  • G.J.H. Doornewaard
  • J.B.J.M. ten Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van benutbare mogelijkheden in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten

In deze zaak, behandeld door de Centrale Raad van Beroep, gaat het om de beoordeling van de benutbare mogelijkheden van een werknemer in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De werknemer, die als timmerman werkzaam was, had zich in 1998 ziek gemeld vanwege nekklachten, maagklachten en psychische klachten. In 2000 werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80 tot 100%. Appellante, de werkgever, was het niet eens met de beslissing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en heeft bezwaar aangetekend tegen het besluit dat de arbeidsongeschiktheid van de werknemer onveranderd bleef. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld.

De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak op 10 september 2004 behandeld. De Raad oordeelde dat de medische onderbouwing voor de conclusie dat de werknemer geen benutbare mogelijkheden had, onvoldoende was. De verzekeringsarts had geen adequate overwegingen gegeven over de gevolgen van de depressie van de werknemer voor zijn psychische zelfredzaamheid. De Raad concludeerde dat de rapportages van de verzekeringsarts niet de conclusie konden rechtvaardigen dat er geen benutbare mogelijkheden aanwezig waren. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het bestreden besluit, en oordeelde dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar moest nemen, rekening houdend met de uitspraak van de Raad.

Daarnaast werd het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante, die in totaal € 644,- bedroegen, en moest het griffierecht van € 531,20 vergoeden. Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige medische beoordeling bij het vaststellen van arbeidsongeschiktheid en de benutbare mogelijkheden van werknemers.

Uitspraak

02/3088 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam bedrijf], te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 30 oktober 2000 heeft gedaagde aan [naam werknemer], voormalig werknemer van appellante, hierna te noemen: de werknemer, medegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) onveranderd wordt vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 8 maart 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 oktober 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 16 april 2002, nr. WAO 01/851-KRD, het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. O. Labordus, werkzaam bij LAR Rechtsbijstand, op bij beroepschrift van 29 mei 2002 aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Bij brief gedateerd 9 juli 2002 heeft de griffier van de Raad aan de werknemer medegedeeld dat hij, gelet op artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan verzoeken om als partij aan het onderhavige geding deel te nemen. Bij deze brief is tevens verzocht om op het bijgevoegde antwoordformulier aan te geven of hij al dan niet toestemming geeft om appellante inzage te geven in zijn medische gegevens.
Hierop is geen reactie ontvangen, zodat in het onderhavige geding de toestemming om de medische gegevens ter kennisname van appellante te brengen moet worden geacht niet te zijn verleend.
Bij brief van 12 juli 2002 zijn namens appellante de gronden van het hoger beroep aangevuld.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 26 juli 2002, ingediend.
Bij brief gedateerd 3 december 2002 heeft de Raad mededeling gedaan van zijn beslissing dat onder toepassing van
artikel 8:32, tweede lid, van de Awb de gemachtigde van appellante inzage dient te krijgen in de zich in het dossier bevindende medische stukken.
Namens appellante is een nader schrijven van 10 juni 2004 in het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 juli 2004, waar appellante zich niet heeft laten vertegenwoordigen en waar namens gedaagde is verschenen G.J. Samson, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De feiten en omstandigheden van het onderhavige geval, voor zover van belang voor de oordeelsvorming van de Raad, laten zich als volgt weergeven.
De werknemer is op 26 oktober 1998 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als timmerman in dienst van appellante wegens nekklachten, maagklachten en psychische klachten.
Naar blijkt uit diens rapport van 15 juli 1999 heeft de verzekeringsarts J.H.M.B.M. van Hoeij vastgesteld dat ten aanzien van de werknemer, in verband met diens psychische gezondheidstoestand, sprake is van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren, zodat hij op dat moment - op medische gronden - als volledig arbeidsongeschikt dient te worden aangemerkt.
Gegeven deze uitkomst heeft gedaagde aan de werknemer bij besluit van 12 oktober 1999 met ingang van 25 oktober 1999 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid.
Uit een rapport van de verzekeringsarts S. Tewarie van 14 januari 2000 kwam naar voren dat de psychische gezond- heidstoestand van de werknemer medio januari 2000 niet wezenlijk was gewijzigd ten opzichte van juli 1999. Deze verzekeringsarts kwam eveneens tot de conclusie dat er sprake was van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren, waardoor er ook op dat moment geen voor arbeid benutbare mogelijkheden aanwezig werden geacht.
In het kader van een zogeheten 1e jaars herbeoordeling is de werknemer op 12 oktober 2000 op het spreekuur gezien door de verzekeringsarts E. den Boon.
Uit de rapportage algemeen en de medische status van 12 oktober 2000 komt naar voren dat de verzekeringsarts bij zijn onderzoek geen aanknopingspunten heeft gevonden voor het bestaan van duidelijke depressieve klachten en de werknemer belastbaar heeft geacht voor arbeid. De verzekeringsarts heeft evenwel naar aanleiding van de huisarts verkregen informatie d.d. 15 oktober 2000 in zijn rapportage van 18 oktober 2000 bij nader inzien het standpunt ingenomen dat de werknemer gezien de bij hem vastgestelde depressie niet belastbaar is met arbeid. Hierop heeft gedaagde bij het in rubriek I vermelde besluit van 30 oktober 2000 de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer onveranderd vastgesteld op 80 tot 100%.
Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van appellante tegen het besluit van 30 oktober 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in rechte houdbaar geoordeeld.
Volgens de rechtbank maken de rapportages van de verzekeringsarts Den Boon voldoende duidelijk waarom er geen sprake is van enige restcapaciteit van de werknemer.
In hoger beroep heeft appellante zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat, mede gezien de eisen die het Schattingsbesluit stelt, een afdoende medische onderbouwing ontbreekt voor het oordeel dat de werknemer op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is.
De vraag of gedaagde aan het bestreden besluit terecht en op goede gronden het standpunt ten grondslag heeft gelegd dat de werknemer medisch gezien geen benutbare arbeidsmogelijkheden heeft, beantwoordt de Raad ontkennend en hij overweegt daartoe het volgende.
Op de onderhavige beoordeling is van toepassing het met ingang van 26 juli 2000 in werking getreden Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: het Schattingsbesluit). Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit kan van het arbeidskundig onderzoek worden afgezien gedurende de periode waarin uit het verzekerings- geneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft. Ingevolge artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit zijn alleen dan geen benutbare mogelijkheden als hiervoor bedoeld aanwezig indien:
a. betrokkene is opgenomen in een ziekenhuis of een op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten erkende instelling, met uitzondering van een inrichting waar geestelijk gestoorde delinquenten van overheidswege verpleegd worden;
b. betrokkene bedlegerig is;
c. betrokkene voor het uitvoeren van activiteiten van het dagelijks leven dermate afhankelijk is dat hij lichamelijk niet zelfredzaam is; of
d. betrokkene in zijn zelfverzorging, in zijn directe samenlevingsverband als ook in zijn sociale contacten, waaronder zijn werkrelaties, niet of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet zelfredzaam is.
De Raad is van oordeel dat de rapportages van de verzekeringsarts Den Boon van 12 en 18 oktober 2000 niet de conclusie kunnen rechtvaardigen dat er in oktober 2000 voor de werknemer geen benutbare mogelijkheden als bedoeld in het Schattingsbesluit aanwezig waren. In de rapportage van 18 oktober 2000 heeft de verzekeringsarts Den Boon zijn conclusie van geen benutbare mogelijkheden gebaseerd op het gegeven dat de werknemer, blijkens aan de huisarts verstrekte informatie van de behandelend psychiater, een depressie heeft met elementen van een posttraumatische stress stoornis. Naar het oordeel van de Raad is hiermee geen voldoende onderbouwing gegeven voor het aanwezig zijn van een situatie als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder d, van het Schattingsbesluit. De verzekeringsarts heeft geen overwegingen gewijd aan de gevolgen van de depressie voor de psychische zelfredzaamheid van de werknemer. Er zijn door de verzekeringsarts Den Boon - anders dan bij voorgaande medische beoordelingen - in het geheel geen overwegingen gewijd aan het functioneren van de werknemer op de drie verschillende niveaus van zelfverzorging, samenlevingsverband en sociale contacten.
De Raad voegt hier aan toe dat de bij onderzoek door verzekeringsarts Den Boon op 12 oktober 2000 opgedane bevindingen - als neergelegd in de rapportage en de medische status van diezelfde datum - onvoldoende aanknopingspunten bieden om uit te gaan van een minimaal functioneren van de werknemer op persoonlijk en sociaal gebied als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder d, van het Schattingsbesluit.
De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen op grond van voorgaande overwegingen voor vernietiging in aanmerking. Gedaagde heeft bij het nemen van het bestreden besluit gehandeld in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en eveneens € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 531,20 (€ 204,20 + € 327,-) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en prof. mr. J.B.J.M. ten Berge als leden, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 september 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) C.D.A. Bos.