ECLI:NL:CRVB:2004:AR2728
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt bij voortzetting WW-uitkering na werkhervatting
Appellante ontving een WW-uitkering die werd beëindigd per 14 augustus 2000 wegens werkhervatting bij een werkgever voor 23 uur per week in de avonduren. Zij gaf aan niet meer uren te kunnen werken vanwege gebrek aan oppas voor haar kind. Na het staken van haar werkzaamheden op 28 augustus 2000 vroeg zij voortzetting van haar uitkering aan. Gedaagde stelde op grond van een buitendienstonderzoek dat appellante vanaf die datum niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt en beëindigde de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante vanwege oppasproblemen niet beschikbaar was. In hoger beroep stelde appellante dat zij wel beschikbaar was voor passend werk in de avonduren zolang haar partner kon oppassen. De Raad concludeerde dat onvoldoende was vastgesteld dat appellante niet reëel beschikbaar was en dat het bestreden besluit ten onrechte het recht op uitkering niet liet herleven.
De Raad oordeelde dat de koppeling in het rapport tussen het beëindigen van het werk en het afwijzen van een werkaanbod vanwege oppasproblemen onterecht was. Verder bleek uit de toelichting dat het overwerk van haar partner pas later begon, waardoor oppas in de relevante periode mogelijk was. Appellante had ook regelmatig gesolliciteerd, ook op avondwerk en thuiswerk.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en droeg gedaagde op een nieuw besluit te nemen. Tevens werden de proceskosten aan appellante toegekend en het griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de WW-uitkering per 28 augustus 2000 wordt vernietigd wegens onterecht aangenomen niet-beschikbaarheid van appellante.