ECLI:NL:CRVB:2004:AR2759
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering naar arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%
Appellante kreeg haar WAO-uitkering, aanvankelijk vastgesteld op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, bij besluit van 19 juli 2000 herzien naar 65 tot 80%. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt en later beroep ingesteld. De rechtbank ’s-Gravenhage vernietigde het bezwaarbesluit omdat niet de juiste uitlooptermijn was toegepast en beval een nieuw besluit.
Het UWV nam op 11 oktober 2002 een nieuw besluit waarin de uitkering met ingang van 1 juli 2001 werd herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellante stelde in hoger beroep dat de medische beoordeling onzorgvuldig en inconsequent was, met name dat een dossieronderzoek onvoldoende was en een onafhankelijk medisch deskundigenadvies had moeten worden ingewonnen.
De Raad oordeelde dat het dossieronderzoek voldeed aan de zorgvuldigheidseisen en dat verschillen tussen beoordelingsmomenten niet uitzonderlijk zijn. De grieven van appellante werden ongegrond verklaard. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het eerdere bezwaarbesluit was vervangen door het nieuwe besluit. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het herzieningsbesluit van 11 oktober 2002 wordt ongegrond verklaard met vergoeding van griffierecht.