ECLI:NL:CRVB:2004:AR2763
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht ondanks bezwaar appellant
Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn nabestaandenuitkering over de periode mei 2000 tot en met december 2000, waarbij de Sociale verzekeringsbank het bedrag had verlaagd wegens een fout in de oorspronkelijke vaststelling van zijn inkomen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant uit een brief van de Sociale verzekeringsbank van juni 2000 had kunnen afleiden dat het inkomen foutief was vastgesteld en dat herziening met terugwerkende kracht gerechtvaardigd was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij steeds het juiste inkomen had opgegeven en door de bank was bevestigd dat de uitkering niet veranderde, waardoor hij door de fout van de bank op het verkeerde been was gezet.
De Raad overwoog dat het uitgangspunt van artikel 34 ANW Pro is dat fouten moeten worden gecorrigeerd, tenzij betrokkene redelijkerwijs niet had kunnen begrijpen dat hij ten onrechte een uitkering ontving. Gezien de mededelingen van appellant over zijn inkomen en de brief van de bank waarin werd aangegeven dat het inkomen fictief was vastgesteld en herziening mogelijk was, had appellant kunnen onderkennen dat de uitkering onjuist was.
De Raad concludeerde dat de herziening met terugwerkende kracht terecht was en bevestigde het bestreden vonnis. Er werden geen proceskosten toegekend.
De uitspraak werd uitgesproken door mr. T.L. de Vries namens de Centrale Raad van Beroep op 17 september 2004.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht wegens een fout in de oorspronkelijke inkomensvaststelling.