ECLI:NL:CRVB:2004:AR2788
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling pensioenhoogte echtgenote en intrekking toeslag AOW
Appellant, geboren in 1924 en van Marokkaanse nationaliteit, was van 1965 tot 1989 verzekerd ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Zijn echtgenote, geboren in 1936, heeft nooit in Nederland gewoond of gewerkt. In 2001 werd aan de echtgenote een ouderdomspensioen toegekend op basis van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko, waarbij werd aangenomen dat zij slechts twee jaar verzekerd was geweest. Tegelijkertijd werd de toeslag op het AOW-pensioen van appellant ingetrokken.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en verzocht om het pensioen van zijn echtgenote zodanig vast te stellen dat het gezamenlijke pensioen gelijk zou zijn aan het bedrag dat hij voor 1 juli 2001 ontving aan pensioen en toeslag. De Sociale verzekeringsbank wees het bezwaar af, en de rechtbank onderschreef dit standpunt. In hoger beroep stelde appellant zijn grieven herhaaldelijk, waarbij de Raad vaststelde dat de bezwaren mede betrekking hadden op de hoogte van het pensioen van de echtgenote, waarop de Sociale verzekeringsbank niet adequaat had gereageerd.
De Raad constateerde bovendien een opmerkelijk verschil tussen het eerdere besluit van 1990, waarin de echtgenote als 23 jaar verzekerd werd beschouwd, en het besluit van 2001, waarin slechts twee jaar werd aangenomen. De Raad achtte dit verschil onverklaard en oordeelde dat de Sociale verzekeringsbank een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen waarbij expliciet op deze punten wordt ingegaan. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de aangevallen uitspraak vernietigd.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de Sociale verzekeringsbank dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen over de pensioenhoogte van de echtgenote.