Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR2866

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/3227 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid minder dan 15% per 29 maart 1999

Appellant, die sinds januari 1997 arbeidsongeschikt was, kreeg op 1 september 1999 een besluit dat zijn arbeidsongeschiktheid per 29 maart 1999 minder dan 15% bedroeg, waardoor hij geen WAO-uitkering kreeg. Dit besluit werd bij bezwaar en rechtbank ongewijzigd gehandhaafd. In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet in staat was de geselecteerde passende functies te vervullen en verwees naar een latere diagnose van Obstructief Slaap Apnoe Syndroom die zijn klachten verklaarde.

De Raad oordeelde dat de arbeidskundige beoordeling, gebaseerd op een belastbaarheidspatroon opgesteld door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige, juist en voldoende was. De functies die appellant kon vervullen waren passend en geschikt. De latere toekenning van een volledige WAO-uitkering per november 2002 kon niet worden vergeleken met de situatie per 29 maart 1999.

De Raad vond geen reden om het besluit te vernietigen of de arbeidskundige beoordeling onjuist te achten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 29 maart 1999 minder dan 15% arbeidsongeschikt was en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/3227 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 1 september 1999 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen onder de overweging dat appellant na afloop van de wachttijd op 29 maart 1999 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
Bij besluit van 27 juni 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 september 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 20 mei 2003, reg. nr. Awb 01/2836 WAO, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft mr. J.P. Dijksman, advocaat te Amsterdam, namens appellant op bij aanvullend beroepschrift van 8 september 2003 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 augustus 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Dijksman, voornoemd, en waar gedaagde zich - met voorafgaand bericht - niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
In geschil is of gedaagde de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 29 maart 1999 terecht heeft vastgesteld op minder dan 15% in de zin van de WAO.
Appellant is op 9 januari 1997 uitgevallen in zijn werkzaamheden als schoonmaker voor 38 uur per week. Met ingang van 8 januari 1998 werd hij geschikt geacht voor passend werk. Op 30 maart 1998 is hij opnieuw uitgevallen, met epileptische aanvallen, aanvallen van bewustzijnverlies, concentratievermindering, duizeligheid, hoofdpijn, nervositeit en moeheid.
Op 21 april 1999 is appellant gezien door de verzekeringsarts N. Sarnevesht die op basis van haar bevindingen bij haar onderzoek een belastbaarheidspatroon heeft opgesteld, waarin de medische beperkingen van appellant zijn neergelegd.
De arbeidsdeskundige J. de Waart heeft met inachtneming van het belastbaarheidspatroon een aantal functies geselecteerd die naar zijn mening door appellant kunnen worden vervuld. Vergelijking van het mediane loon van de drie functies waarin het meest kan worden verdiend, met het maatmaninkomen wees uit dat het arbeidsongeschiktheids-percentage in de zin van de WAO minder dan 15 bedraagt.
De bezwaarverzekeringsarts S.C. Hekkelman-de Bie heeft de standpunten van de primaire verzekeringsarts geheel kunnen onderschrijven. Naar haar mening zijn de beperkingen juist weergegeven en zijn de geselecteerde functies passend en geschikt voor appellant. Hiertoe is mede in aanmerking genomen dat appellant geweigerd heeft mee te werken aan een deskundigenonderzoek.
In hoger beroep is namens appellant het standpunt dat hij niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen herhaald en is tevens aangevoerd dat hij per 7 november 2002 een volledige WAO-uitkering geniet omdat er een Obstructief Slaap Apnoe Syndroom is gediagnosticeerd. Hierdoor is er een verklaring voor de reeds jarenlang bestaande vermoeidheidsklachten, aldus appellant.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de gedingstukken geen grondslag bieden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. De verzeke-ringsarts heeft appellant onderzocht en heeft, rekening houdend met de bij appellant aanwezige klachten, beperkingen in het belastbaarheidspatroon aangenomen. De verzekeringsarts heeft hierbij tevens de overgelegde medische gegevens betrokken. Niet gebleken is dat gedaagde de beperkingen niet juist heeft ingeschat. Aan de omstandigheid dat appellant per november 2002 een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar de mate arbeidsongeschiktheid van 80-100% kan geen belang gehecht worden nu niet vaststaat dat de medische situatie zoals die op dat beoordelingsmoment was, zonder meer vergelijkbaar is met het moment dat in deze procedure van belang is, te weten
29 maart 1999. Niet gebleken is dat de beperkingen die aanvaard zijn naar aanleiding van de vaststelling van het Obstructief Slaap Apnoe Syndroom ook op hier in geding zijnde datum aanwezig waren.
Voor wat betreft de arbeidskundige kant van de zaak is de Raad van oordeel dat na het door de rechtbank buiten beschouwing laten van de functie samensteller (fb-code 8463) er voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen resteren en dat die functies ook overigens passend en geschikt zijn voor appellant. De Raad ziet dan ook geen reden de arbeidskundige kant van de zaak voor onjuist te houden.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 september 2004.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.C.W. van Huussen.
MH