ECLI:NL:CRVB:2004:AR2916
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk
Appellante heeft haar werk op 7 februari 2000 gestaakt wegens burnoutklachten en hartritmestoornissen. Na een wachttijd werd zij door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) beoordeeld als geschikt om haar eigen werk volledig te verrichten, waardoor haar aanvraag voor een WAO-uitkering werd afgewezen.
De rechtbank Breda verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische beperkingen van appellante haar niet verhinderden om 32 uur per week te werken en dat er geen medische gegevens waren die haar verminderd arbeidsgeschikt maakten ten tijde van het geding. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar medische situatie niet juist was beoordeeld en overhandigde cardiologische rapporten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat voor de WAO-uitkering niet de reden van werkonderbreking op 7 februari 2000 beslissend is, maar de gezondheidstoestand na de wachttijd per 5 februari 2001. Volgens vaste rechtspraak is geen sprake van arbeidsongeschiktheid indien de verzekerde geschikt is voor het eigen werk. De Raad vond de medische beoordeling juist en zag geen noodzaak voor aanvullend medisch onderzoek. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geschikt is voor haar eigen werk en wijst de WAO-uitkering af.