Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR2919

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/3511 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WAO-besluit over mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55 procent

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch waarin het besluit van het UWV werd bevestigd dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid per 15 november 2001 tussen 45 en 55 procent ligt.

De Raad heeft het medisch dossier en de arbeidskundige rapportages beoordeeld, waaronder de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts en de behandelend internist. De Raad concludeert dat de beperkingen van appellant zorgvuldig zijn beoordeeld en dat de functies die hij geacht wordt te kunnen verrichten passend zijn.

Appellant voerde aan dat zijn diabetes, doorbloedingsstoornissen, maagzweer en reuma onvoldoende zijn meegewogen en dat zijn oogklachten en loopvermogen zijn verslechterd. De Raad acht echter het medisch onderzoek en de arbeidskundige beoordeling voldoende en ziet geen aanleiding voor een nader medisch onderzoek.

De Raad bevestigt het besluit en wijst erop dat appellant vrij staat om bij verslechtering een nieuwe beoordeling aan te vragen. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bekrachtigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van appellant per 15 november 2001 45 tot 55 procent bedraagt.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/3511 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. F.T.I. Oey, advocaat te Helmond, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch onder dagtekening 4 juli 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg. nr.: AWB 02/1297 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 28 augustus 2003 van verweer gediend.
Bij brief van 5 juli 2004 (met bijlagen) heeft gedaagde enige stukken van arbeidskundige aard ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 augustus 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. H.H.M. Jansen, kantoor-genoot van mr. Oey, voornoemd, als zijn raadsman en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door V.A.R. Kali, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij op bezwaar genomen besluit van 27 mei 2002 is het besluit van 17 september 2001 gehandhaafd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 15 november 2001 45 tot 55% bedraagt en dat de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) dienovereenkomstig naar deze mate van arbeidsongeschiktheid wordt herzien.
De rechtbank heeft dit besluit in stand gelaten, van oordeel zijnde dat de medische beperkingen van appellant ten tijde hier in geding niet waren onderschat en dat appellant met inachtneming hiervan in staat moest worden geacht met de voor hem geschikt geachte functies te vervullen. Hieruit heeft de rechtbank afgeleid dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 15 november 2001 met indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55% juist is gewaardeerd.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij lijdende is aan diabetes met als complicatie doorbloedingsstoornissen van de benen die pijnen veroorzaken en het lopen beperken, last heeft van een recidiverende maagzweer en gewrichtspijnen, die door de specialist als reuma werden geduid. Ten onrechte heeft de rechtbank een nader onderzoek naar deze klachten achterwege gelaten.
Ter zitting heeft appellant er op gewezen dat als gevolg van zijn diabetes zijn oogklacht-en zijn toegenomen en dat zijn loopvermogen aanzienlijk is afgenomen. Ten slotte is door appellants gemachtigde aangevoerd dat ten onrechte bij de medische oordeelsvorming geen rekening is gehouden met een mogelijke reeds toentertijd te voorziene verslechte-ring in de gezondheidstoestand van appellant.
De Raad stelt vast dat al deze klachten, waaronder begrepen de oogklachten die in de bezwaarfase van de besluitvorming tot een aanscherping van de in acht te nemen beperkingen hebben geleid, bij de bezwaarverzekeringsarts J.M. van der Lugt bekend waren. In verband hiermee is een aantal van de oorspronkelijk geduide functies bij nader inzien vervallen en zijn andere in dezelfde Fb-codes voorkomende functies alsnog geschikt bevonden. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de belastbaarheid van appellant onjuist zou zijn gewaardeerd. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de betrokken (bezwaar)-verzekeringsartsen de beschikking hadden over inlichtingen van de behandelend internist dr. A.L.M. Kerremans en dat uit hun rapportages blijkt dat daarmee op zorgvuldige wijze rekening is gehouden. Aan de inlichtingen van de behandelend internist, in het bijzonder diens brief van 17 september 2001, valt niet te ontlenen dat appellants gezondheids-situatie zodanig was dat hij niet kon werken. Appellant heeft ook geen gegevens van medische aard ingezonden die in een andere richting wijzen.
Een en ander laat onverlet dat het appellant vrij staat, als hij meent dat zijn gezondheidstoestand inmiddels is verslechterd, om aan gedaagde te verzoeken de mate van zijn arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de Raad zich over de gezondheidstoestand van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voldoende voorgelicht acht en dat hij voor de rechterlijke oordeelsvorming een nader medisch onderzoek daarnaar niet noodzakelijk acht.
Gelet op de in hoger beroep door de bezwaararbeidsdeskundige W.A.M.H. Heijmans bij rapport van 1 juli 2004 verstrekte gegevens en de daarop ter zitting gegeven toelichting rust de onderwerpelijke schatting ook wat betreft de arbeidskundige aspecten op een deugdelijke grondslag.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 september 2004.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.C.W. van Huussen.
MH