Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR3431

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/844 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbArt. 8:75 AwbArt. 3 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenArt. 4 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag toelating vrijwillige AOW-verzekering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die haar beroep tegen het afwijzende besluit van de Sociale verzekeringsbank ongegrond verklaarde. Het betrof een nieuwe aanvraag tot toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw).

De Raad overweegt dat op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij een nieuwe aanvraag nieuwe feiten of veranderde omstandigheden moeten worden vermeld. Appellante had echter geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven tot een andere beslissing dan het eerdere, inmiddels onherroepelijke, afwijzende besluit van 10 februari 1997.

De Raad concludeert dat de Sociale verzekeringsbank bevoegd was de aanvraag af te wijzen zonder nieuwe toetsing, en bevestigt de eerdere uitspraak. Tevens wijst de Raad een vergoeding van proceskosten af omdat geen bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag tot vrijwillige AOW-verzekering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/844 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Australië), appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank.
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellante heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2003, nr. AWB 02/4196 AOW, waarbij het door haar ingestelde beroep tegen gedaagdes besluit van 12 augustus 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond is verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 augustus 2004, waar appellante - met kennisgeving - niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
Bij besluit van 10 februari 1997 heeft gedaagde afwijzend beslist op een aanvraag van appellante om toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw). Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Op 18 februari 2002 heeft appellante een nieuwe aanvraag van dezelfde strekking ingediend. Zij heeft daarbij aangevoerd een zelfstandig recht op ouderdomspensioen te willen opbouwen. Daarbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Appellante had haar wens een eigen pensioen op te bouwen reeds in 1997 kunnen aanvoeren en behoren aan te voeren, daargelaten dat zij niet heeft bestreden dat zij in het jaar voorafgaand aan de eerste aanvraag niet verplicht verzekerd was en reeds daarom niet in aanmerking komt voor toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de AOW en de Anw.
Gedaagde was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 10 februari 1997. In hetgeen door appellante is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Gelet op het vorenstaande moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 september 2004.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.