Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR3438

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6000 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 4:5 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag vrijwillige verzekering AOW en Anw wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die zijn beroep tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank tot afwijzing van zijn aanvraag voor vrijwillige verzekering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en Algemene nabestaandenwet (Anw) ongegrond verklaarde.

De Raad overweegt dat op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij een nieuwe aanvraag na een eerdere afwijzing nieuwe feiten of veranderde omstandigheden moeten worden vermeld. Appellant had de ontvangst van een ABP-pensioen reeds in 1996 kunnen aanvoeren, maar dit vormt geen nieuw feit of veranderde omstandigheid die de aanvraag rechtvaardigt.

De Raad oordeelt dat de Sociale verzekeringsbank terecht de aanvraag heeft afgewezen met verwijzing naar het eerdere besluit van 26 juli 1996. De Raad ziet geen reden om het besluit te vernietigen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag tot vrijwillige verzekering op grond van de AOW en Anw wordt bevestigd wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/6000 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Australië), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank.
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2003, nr. AWB 02/4197 AOW, waarbij het door hem ingestelde beroep tegen gedaagdes besluit van 12 augustus 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond is verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 augustus 2004, waar appellant - met kennisgeving - niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
Bij besluit van 26 juli 1996 heeft gedaagde afwijzend beslist op een aanvraag van appellant om toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw). Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Op 18 februari 2002 heeft appellant een nieuwe aanvraag van dezelfde strekking ingediend. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij sinds 1982 een ABP-pensioen ontvangt en op internet heeft gelezen dat vrijwillige verzekering mogelijk is. Daarbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Appellant had de ontvangst van het pensioen reeds in 1996 kunnen aanvoeren en behoren aan te voeren, daargelaten dat de ontvangst ervan niet betekent dat vrijwillige verzekering op grond van de AOW en Anw mogelijk zou zijn. Deze wetten kennen een aanmeldingstermijn van één jaar en onbekendheid ermee maakt overschrijding niet verschoonbaar.
Gedaagde was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 26 juli 1996. In hetgeen door appellant is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Gelet op het vorenstaande moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 september 2004.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.