Art. 15a Algemene Dagloonregelen WAOArt. 1 tweede lid sub c Algemene Dagloonregelen WAOArt. 6 eerste lid aanhef en onder s Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 7 Algemene Dagloonregelen WAOArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging besluit vaststelling dagloon bij toepassing artikel 15a Algemene Dagloonregelen WAO
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn dagloon voor de WAO-uitkering, omdat hij meent dat het spaarloon ten onrechte buiten beschouwing is gelaten en dat artikel 15a van de Algemene Dagloonregelen WAO onterecht niet is toegepast. De rechtbank heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad overweegt dat het spaarloon volgens artikel 6 vanPro de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet tot het loon in de sociale verzekeringswetten behoort, ook niet wanneer het wordt gebruikt voor een levensverzekering. Ten aanzien van artikel 15a, dat een dagloongarantieregeling voor werknemers van 55 jaar en ouder bevat, stelt de Raad vast dat appellant als internationaal chauffeur werkzaam was op basis van een vast loonbedrag en dat het jaarinkomen is afgenomen door minder overwerk, niet door verlaging van het vaste loon.
Omdat appellant niet heeft kunnen aantonen dat zijn vaste loon is verlaagd, kan het beroep op artikel 15a niet slagen. De Raad vindt geen andere gronden om de berekening van het dagloon onjuist te achten en bevestigt daarom het bestreden besluit. Het beroep is behandeld in een zitting waar appellant niet is verschenen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot vaststelling van het dagloon zonder toepassing van artikel 15a omdat geen loonverlaging is aangetoond.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/299 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 3 mei 2002 heeft gedaagde beslissende op het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van 24 december 2001, waarbij het dagloon van de aan hem toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is vastgesteld op f 279,22, het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 13 december 2002 het namens appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is bij gemachtigde mr. W.K.J. van Santen, advocaat te Thorn, op bij aanvullend beroepschrift van 27 februari 2003 (met bijlagen) aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 14 maart 2003, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 september 2004, waar appellant niet is verschenen, terwijl gedaagde zich bij die gelegenheid heeft doen vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft bij besluit van 24 december 2001 aan appellant met ingang van
7 januari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering verleend. Na bezwaar, de hoogte van het dagloon betreffende, heeft gedaagde bij het bestreden besluit van 3 mei 2002 het dagloon ongewijzigd gelaten en het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het namens appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De grieven van appellant in hoger beroep komen erop neer dat hij van mening is dat gedaagde bij de vaststelling van het dagloon ten onrechte het spaarloon buiten beschouwing heeft gelaten, terwijl de rechtbank niet heeft onderkend dat dit looncomponent gelet op de besteding valt onder het loonbegrip als bedoeld in artikel 1, tweede lid, sub c, van de Algemene Dagloonregelen WAO. Daarnaast is namens appellant naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte het beroep op artikel 15a van de Algemene Dagloonregelen WAO heeft afgewezen.
De Raad dient in het onderhavige geding de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe overweegt hij het volgende.
Met betrekking tot het spaarloon overweegt de Raad, in navolging van de rechtbank, dat in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder s, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) is bepaald dat het spaarloon niet behoort tot het loon in de zin van de sociale verzekeringswetten. Het feit dat het spaarloon vervolgens werd aangewend als betaling voor een levensverzekering maakt dit niet anders en ontneemt niet het karakter daarvan.
Ten aanzien van het beroep dat namens appellant is gedaan op artikel 15a van de Algemene dagloonregelen overweegt de Raad als volgt.
Artikel 15a van de Algemene Dagloonregelen WAO luidt als volgt:
1. Ten aanzien van de berekening van het dagloon voor de werknemer van 55 jaar of ouder, op wie artikel 7 vanPro toepassing is en die aantoont dat zijn loon, bij dezelfde werkgever tot wie hij in dienstbetrekking stond als bij het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, op de dag van het bereiken van die leeftijd, of daarna, is verlaagd zijn de volgende leden van toepassing.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. verlaging van zijn loon: verlaging van het vaste bedrag per dag, week, maand of jaar waarop het loon was vast gesteld;
b. voorafgaande dagloon: het dagloon dat voor de werknemer zou hebben gegolden indien zijn arbeidsongeschiktheid op de dag voorafgaand aan de verlaging van zijn loon zou zijn ingetreden en hij vanaf die dag onafgebroken arbeidsongeschikt zou zijn geweest.
3. Voorzover de verlaging van zijn loon, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b, wordt aangemerkt als een wijziging krachtens een voor hem geldende regeling, is artikel 5, in afwijking van artikel 7, derde lid, bij de vaststelling van het voorafgaande dagloon van de werknemer niet van overeenkomstige toepassing.
4. Indien het dagloon berekend op grond van de voorgaande artikelen lager zou zijn dan het voorafgaande dagloon, wordt het dagloon vastgesteld op een bedrag dat overeenkomt met het voorafgaande dagloon doch niet meer dan het dagloon vermenigvuldigd met 9/7.
5. Met betrekking tot de werknemer op wie het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van toepassing is, wordt het bepaalde in het vorige lid op deze wijze toegepast, dat het dagloon en het voorafgaande dagloon worden vastgesteld zonder toepassing van artikel 14, eerste lid. Op het aldus vastgestelde bedrag wordt vervolgens artikel 14, eerste lid, toegepast.
Artikel 15a van de Algemene Dagloonregelen WAO is ingevoegd als maatregel ter verkleining van het financiële risico bij acceptatie van lager betaalde arbeid bij de eigen werkgever, teneinde uitval wegens arbeidsongeschiktheid te vermijden. Indien op enig later moment toch arbeidsongeschiktheid intreedt, wordt het nadelig effect van de loopbaanombuiging op het recht op de WAO-uitkering met deze dagloongarantieregeling voor ouderen gedeeltelijk ondervangen.
Onweersproken is komen vast te staan dat appellant werkzaam was op basis van een vast loonbedrag. Gedaagde heeft deswege het dagloon van appellant berekend met toepassing van artikel 7 vanPro de Algemene Dagloonregelen WAO. De Raad overweegt dat appellant als internationaal chauffeur voor zijn werkgever is blijven werken, terwijl uit de gedingstukken blijkt dat het jaarinkomen van appellant sedert 1998 is afgenomen in verband met de omstandigheid dat appellant minder overwerk heeft verricht. Appellant heeft niet kunnen aantonen dat zijn vaste loon is verlaagd, zodat naar het oordeel van de Raad het namens appellant gedane beroep op het bepaalde in artikel 15a van de Algemene Dagloonregelen WAO niet kan slagen. Aangezien de Raad ook overigens geen grond heeft kunnen vinden op grond waarvan de berekening van het dagloon van appellant voor onjuist zou moeten worden gehouden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) L.M. Reijnierse.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, vierde lid tot en met achtste lid, 4 tot en met 8 en de op die artikelen berustende bepalingen.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.