ECLI:NL:CRVB:2004:AR3503
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- Th.G.M. Simons
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vervoerskostenvergoeding na verhuizing geen schending IVBPR artikel 12
Appellant, wettelijk vertegenwoordiger van een meervoudig gehandicapte zoon, verhuisde van de gemeente De Bilt naar een andere gemeente en kreeg daar een lagere vervoerskostenvergoeding toegekend. Hij stelde dat dit in strijd was met artikel 12 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), dat het recht op vrije woonplaatskeuze beschermt.
De rechtbank had het bezwaar tegen de lagere vergoeding ongegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens toepassing van een onjuiste paragraaf in het Verstrekkingenboek, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. Appellant ging in hoger beroep tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen en voerde opnieuw het gelijkheidsbeginsel en artikel 12 IVBPR Pro aan.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het stelsel van forfaitaire vergoedingen binnen de wettelijke grenzen van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) blijft. Het lagere bedrag in de nieuwe gemeente betekent geen schending van het gelijkheidsbeginsel of beperking van het recht op vrije woonplaatskeuze. De Raad concludeerde dat appellant adequaat is gecompenseerd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere vervoerskostenvergoeding bevestigd.