ECLI:NL:CRVB:2004:AR3940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens ontbreken geldige verblijfsstatus niet in strijd met IVBPR artikel 26
Appellant, van Turkse afkomst, heeft meerdere aanvragen voor een verblijfsvergunning ingediend die allen zijn afgewezen, waarbij de afwijzing onherroepelijk werd op 4 december 1997. Ondanks het ontbreken van een geldige verblijfsstatus ontving appellant gedurende bepaalde perioden een bijstandsuitkering. De gemeente Amsterdam beëindigde de bijstand per 1 juni 2000 op grond van het ontbreken van een geldige verblijfsstatus zoals vereist onder de Algemene bijstandswet (Abw).
Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit, maar zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep verklaarden deze bezwaren ongegrond. De Raad oordeelde dat appellant niet viel onder de categorie vreemdelingen die op grond van de Vreemdelingenwet en het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz gelijkgesteld konden worden aan Nederlanders voor het verkrijgen van bijstand.
De Raad bevestigde dat de Koppelingswetgeving, die het recht op bijstand koppelt aan een geldige verblijfsstatus, ook op appellant van toepassing is. Tevens werd geoordeeld dat de beëindiging van de uitkering niet in strijd is met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De uitspraak sluit aan bij eerdere jurisprudentie waarin de Raad de rechtmatigheid van de Koppelingswetgeving bevestigde, met uitzondering van bepaalde gevallen waarin bijstand werd verleend onder de oude regeling voor 1 juli 1998.
De Centrale Raad van Beroep heeft de aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd en geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de bijstandsuitkering wegens het ontbreken van een geldige verblijfsstatus.