ECLI:NL:CRVB:2004:AR4345
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kinderbijslag wegens ontbreken ingezetenschap volgens Algemene Kinderbijslagwet
Appellante, met Nederlandse nationaliteit, was in november 2000 vanuit de Nederlandse Antillen naar Nederland gekomen en had zich bij een familielid ingeschreven. Zij ontving een bijstandsuitkering en volgde een inburgeringscursus die zij in februari 2002 afrondde. Haar kinderen volgden eveneens opleidingen en waren bezig met inburgering.
De bestreden besluiten van 24 september 2001 en 28 februari 2002 betreffen de afwijzing van kinderbijslag voor de kwartalen vanaf 1 januari 2001 tot 1 januari 2002. De Raad oordeelde dat appellante wel een juridische binding had vanwege haar Nederlandse nationaliteit, maar dat de sociale en economische binding onvoldoende waren. Dit vanwege haar onzelfstandige woonsituatie, het korte verblijf in Nederland, en het feit dat zij afhankelijk bleef van een bijstandsuitkering.
De Raad benadrukte dat ingezetenschap wordt beoordeeld aan de hand van feitelijke omstandigheden die een duurzame maatschappelijke binding aantonen. Appellante had dit middelpunt van haar maatschappelijk leven nog niet bereikt in de bestreden periode. De Raad nam kennis van het voornemen van gedaagde om na afronding van de inburgering en verlengd verblijf een positieve beslissing te nemen vanaf 1 april 2002.
De Raad verwierp argumenten dat de banden met de Nederlandse Antillen meegewogen moesten worden of dat discriminatie zou optreden indien appellante uit een ander EU-land zou zijn gekomen. De toetsing is neutraal en objectief op basis van de feitelijke binding met Nederland. De uitspraak bevestigt de rechtbank en sluit cassatie toe op specifieke wettelijke gronden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van kinderbijslag wegens het ontbreken van ingezetenschap.