ECLI:NL:CRVB:2004:AR4436
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Jansen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen WAO-uitkering wegens onjuiste inschatting arbeidsongeschiktheid
Appellante, die sinds mei 1999 arbeidsongeschikt is vanwege gezondheidsklachten, kreeg per 16 mei 2000 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-45%. Dit besluit werd bevestigd in bezwaar en door de rechtbank ongegrond verklaard. In hoger beroep stelde appellante dat zij medisch gezien meer beperkt was, met name qua werktijd, en niet in staat was de voltijdse functies te vervullen.
De Raad schakelde een onafhankelijke internist in die concludeerde dat de diagnose SLE op de datum in geding niet definitief was vast te stellen en dat er waarschijnlijk sprake was van een hernia diafragmatica met reflux. De deskundige vond dat de arbeidsduur beperkt moest worden tot 50%, wat afweek van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad volgde de deskundige, omdat haar oordeel zorgvuldig en consistent was en gebaseerd op uitgebreid medisch onderzoek.
De Raad oordeelde dat appellante niet in staat was om voltijdse functies te vervullen en dat het besluit van het UWV onjuist was. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit tot toekenning van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen met beperking van de arbeidsduur tot 50%.