ECLI:NL:CRVB:2004:AR4444

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/3061 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
  • D.J. van der Vos
  • W.M. Levelt-Overmars
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAOBesluit Samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid 20 januari 1983Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid 19 februari 1994Artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheidspercentage en uitkeringsberekening volgens WAO

In deze zaak staat centraal of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) het arbeidsongeschiktheidspercentage en de uitkering van appellant op juiste wijze heeft vastgesteld en uitgevoerd. Appellant betwistte dat zijn arbeidsongeschiktheidspercentage per 31 december 1997 onveranderd 35-45% moest blijven en voerde aan dat de vakantietoeslag ten onrechte was meegenomen bij de inkomensberekening.

De rechtbank Breda verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel. De Raad overweegt dat appellant geen rechtens te respecteren belang heeft bij een aparte eerstejaarsherbeoordeling en dat de oude regeling van 1983 niet meer van toepassing is sinds de vervanging in 1994. Tevens is geen sprake van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit van 28 maart 2001 en wijst het hoger beroep af. Ook wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door voorzitter Janssen en leden Van der Vos en Levelt-Overmars op 8 oktober 2004.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.

Uitspraak

02/3061 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft zijn gemachtigde mr. J.R. Zange op de daartoe bij aanvullend beroepschrift van 7 juli 2002 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gegeven uitspraak van de rechtbank Breda van 16 april 2002, nr. 01/737 WAO.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 20 augustus 2002, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 augustus 2004. Aldaar is appellant niet verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Ackermans, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.
In geschil is of gedaagde bij besluit van 28 maart 2001 (hierna: het bestreden besluit) op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussen partijen gegeven uitspraak van de rechtbank Breda van 9 januari 2001, nr. 99/2024 WAOCON, door te bepalen dat de aan appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%, met toepassing van artikel 44 van Pro die wet met ingang van 1 oktober 1998 zal worden uitbetaald als ware appellant arbeidsongeschikt naar een mate van 15-25%.
Namens appellant is in beroep en in hoger beroep tegen het bestreden besluit aangevoerd dat het arbeidsongeschiktheidspercentage in het kader van de verplichte eerstejaars-herbeoordeling per 31 december 1997 dient te worden bepaald op onveranderd 35-45. Verder is aangevoerd dat bij de berekening van het met ingang van 1 oktober 1998 uit te keren bedrag uit is gegaan van een onjuist inkomensbegrip, aangezien in strijd met artikel 3, tweede lid, van het besluit ‘Samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid’ van 20 januari 1983 de vakantietoeslag in de grondslag is betrokken. Tot slot heeft appellant in hoofdzaak doen aanvoeren dat gedaagde gegeven de duur van de procedure heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel berust. Appellant heeft ook naar het oordeel van de Raad geen enkel rechtens te respecteren belang bij een separate eerstejaarsherbeoordeling per 31 december 1997.
Het besluit ‘Samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid’ van 20 januari 1983 is per 19 februari 1994 vervallen bij het in werking treden van de voor dit besluit in de plaats gekomen ‘Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid’, die geen bepaling kent die overeenkomt met artikel 3, tweede lid, van genoemd besluit.
Tot slot overweegt de Raad dat van schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur hem niet is kunnen blijken, zodat ook die grond het hoger beroep niet kan dragen.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling uit te spreken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.P. Grauss.
MH