ECLI:NL:CRVB:2004:AR4454

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/3884 WUV-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:24 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:83 AwbArt. 17 Beroepswet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring wegens ontbreken schriftelijke machtiging in bestuursrechtelijke voorlopige voorziening

Verzoeker heeft namens betrokkene een verzoek ingediend bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, met als doel een beslissing af te dwingen op een herzieningsverzoek. De Raad heeft verzoeker verzocht een schriftelijke machtiging te overleggen, conform artikel 17 van Pro de Beroepswet en artikel 8:24 Awb Pro, maar verzoeker heeft deze niet binnen de gestelde termijnen ingediend.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker daardoor moet worden geacht een verzoek voor zichzelf te hebben ingediend, terwijl hij niet het belang heeft dat rechtstreeks bij het besluit is betrokken. Hierdoor ontbreekt de bevoegdheid om het verzoek in te dienen.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb. Er zijn geen omstandigheden die toepassing van artikel 8:75 Awb Pro rechtvaardigen. De uitspraak is gedaan door mr. C.G. Kasdorp op 11 oktober 2004.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging en het ontbreken van een rechtstreeks belang.

Uitspraak

04/3884 WUV-VV
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om met toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 17 van Pro de Beroepswet in het geding tussen:
[verzoeker], wonende te Bandung (Indonesië), verzoeker, beweerdelijk namens [betrokkene], wonende te Bandung (Indonesië)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. INLEIDING
Bij brief van 9 juni 2004 heeft verzoeker beweerdelijk namens [betrokkene] (hierna: betrokkene) zich tot de voorzieningenrechter van de Raad gewend met een verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder andere ertoe strekkend, verweerder op te dragen alsnog een beslissing te nemen op een door betrokkene gedaan herzieningsverzoek van 30 juni 2003.
Bij schrijven van 12 juli 2004 is de beslissing op bovengenoemd herzieningsverzoek, door tussenkomst van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Jakarta (Indonesië) aan betrokkene bekend gemaakt.
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 17 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:24, tweede lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de Raad van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
Bij schrijven van 23 juli 2004 is verzoeker verzocht binnen vier weken een schriftelijke machtiging over te leggen.
Verzoeker heeft deze termijn ongebruikt laten voorbijgaan.
Bij aangetekend schrijven van 23 augustus 2004 is verzoeker nogmaals de gelegenheid geboden de machtiging in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is hij erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om een voorlopige voorziening kan leiden.
Verzoeker heeft ook deze termijn ongebruikt laten voorbijgaan.
Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter van de Raad tot het oordeel dat verzoeker moet worden geacht voor zichzelf een verzoek om een voorlopige voorziening te hebben ingesteld.
Omdat verzoeker niet iemand is wiens belang rechtstreeks bij het besluit van verweerder van 12 juli 2004 is betrokken, komt hem niet de bevoegdheid toe, te verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb.
Bovenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk moet worden verklaard onder toepassing 8:83, derde lid, van de Awb.
Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemen wet bestuursrecht niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2004.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) E. Blijleven-de Vries.