ECLI:NL:CRVB:2004:AR4459
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening terugvordering teveel betaald ziekengeld
Verzoeker ontving vanaf 30 mei 2000 een Ziektewetuitkering nadat hij zich ziek had gemeld tijdens een WW-uitkering. Gedaagde (UWV) vorderde een bedrag van ƒ 10.254,47 terug wegens dubbele uitbetaling van ziekengeld, later herzien tot ƒ 4.428,92. Verzoeker maakte bezwaar en stelde dat hij het bedrag niet had ontvangen en niet kon weten dat er teveel was betaald. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond.
In hoger beroep verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 Awb Pro, stellende dat hij door de inhoudingen in financiële problemen was gekomen. De voorzieningenrechter overwoog dat de inhouding slechts incidenteel was en dat onvoldoende bewijs was geleverd dat verzoeker daardoor in een ernstige financiële positie was gekomen. Verzoeker werkte sinds juni 2004 als metselaar met een wisselend inkomen en had een huurachterstand en persoonlijke lening.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de spoedeisendheid ontbrak en dat de voorlopige voorziening niet gerechtvaardigd was. Ook werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Het verzoek werd derhalve afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de terugvordering van teveel betaald ziekengeld wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed en onvoldoende bewijs van ernstige financiële problemen.