ECLI:NL:CRVB:2004:AR4558
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gedifferentieerde premie WAO inclusief betaalde voorschotten
In deze zaak gaat het om de vaststelling van de gedifferentieerde premie op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over het jaar 2001. De appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelt dat betaalde voorschotten op WAO-uitkeringen moeten worden meegenomen bij de premie vaststelling. Gedaagden, drie werkgevers die delen van een onderneming hebben overgenomen, voerden bezwaar aan tegen de vastgestelde premies.
De rechtbank Utrecht had geoordeeld dat er een motiveringsgebrek was omdat de toekenning van de WAO-uitkering aan de betrokkene nog niet onherroepelijk was. De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak en verklaart het beroep van appellant ongegrond. De Raad stelt dat voorschotten op WAO-uitkeringen, die tijdelijk en voorwaardelijk worden toegekend in afwachting van definitieve vaststelling, wel degelijk meetellen bij de premieberekening.
De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bevestigd dat voorschotten aanbetalingen zijn op de uitkering en onderdeel worden van de uitkering zodra het recht daarop vaststaat. Verder oordeelt de Raad dat bezwaren over de toekenning van de WAO-uitkering en reïntegratie-inspanningen niet in deze procedure kunnen worden ingebracht. De uitspraak bevestigt de bevoegdheid van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om voorschotten mee te rekenen bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het eerdere oordeel en verklaart het beroep van het UWV ongegrond, waarbij voorschotten meetellen bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie WAO.