ECLI:NL:CRVB:2004:AR4685

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6540 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • J.W. Schuttel
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening WAO-uitkering en toepassing uitlooptermijn bij nieuwe functieduiding

De zaak betreft een geschil over de herziening van een WAO-uitkering van gedaagde door het UWV (appellant). Het oorspronkelijke besluit van 6 juni 2002 herzag de uitkering van een arbeidsongeschiktheid van 80-100% naar 35-45%, gebaseerd op nieuwe functieduidingen. Gedaagde maakte bezwaar, dat door appellant werd afgewezen. De rechtbank Breda vernietigde dit besluit wegens het niet in acht nemen van een uitlooptermijn van twee maanden bij de herziening, en gaf appellant opdracht een nieuw besluit te nemen.

In hoger beroep stond centraal of de uitlooptermijn van twee maanden bij het herzieningsbesluit noodzakelijk was, gezien de nieuwe functieduidingen die in de bezwaarprocedure waren vastgesteld. Appellant stelde dat de situatie vergelijkbaar was met een toekenning per einde wachttijd, waarbij geen uitlooptermijn vereist zou zijn. De Raad oordeelde echter dat dit niet opging, omdat gedaagde pas ruim een half jaar na einde wachttijd op de hoogte werd gesteld van de nieuwe mate van arbeidsongeschiktheid en nieuwe functies waren geduid.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en de hoofdregel dat bij herziening van een WAO-uitkering naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid een uitlooptermijn van minimaal twee maanden in acht moet worden genomen, tenzij sprake is van een volledig afgeronde schatting over een in het verleden gelegen periode. De Raad veroordeelde appellant tot betaling van proceskosten aan gedaagde en bepaalde een griffierecht van €409,-.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat bij herziening van een WAO-uitkering met nieuwe functieduiding een uitlooptermijn van minimaal twee maanden moet worden gehanteerd en veroordeelt het UWV tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

03/6540 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 6 juni 2002 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 17 juli 2002 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Appellant heeft het tegen dit besluit door mr. C.M.E.F. Theuns, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam, namens gedaagde gemaakte bezwaar bij besluit van 18 december 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank Breda heeft het door de gemachtigde van gedaagde ingestelde beroep tegen het besluit van 18 december 2002 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 20 november 2003, 03/73 WAO, gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven omtrent vergoeding aan gedaagde van het griffierecht en de proceskosten.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
De gemachtigde van gedaagde heeft van verweer gediend.
Appellant heeft vragen van de Raad beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 augustus 2004, waar namens appellant zijn verschenen
mr. E.J.S. van Daatselaar, H. Mulders, W. Otto en D. Vermeulen, allen werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M. Koolhoven, kantoorgenote van de gemachtigde van gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat appellant zich blijkens het aanvullend beroepschrift uitsluitend niet kan verenigen met het in de aangevallen uitspraak neergelegde en aan de vernietiging van het bestreden besluit ten grondslag liggende oordeel van de rechtbank omtrent het in acht nemen van een uitlooptermijn bij het bestreden besluit naar aanleiding van het standpunt van gedaagde ter zake in verband met het feit dat in de bezwaarprocedure nieuwe functies zijn geduid.
Ter zitting is namens gedaagde desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat ook wat haar betreft de vraag of bij het bestreden besluit een uitlooptermijn in acht moet worden genomen in dit geding het punt van geschil is. De Raad zal zich bij zijn oordeelsvorming in dit geding dan ook beperken tot dit punt van geschil.
Gedaagde was werkzaam als bejaardenverzorgende voor 32 uur per week toen zij op 8 november 2000 uitviel met span- ningsklachten. Nadat bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek vanwege appellant de beperkingen van gedaagde in kaart waren gebracht heeft de arbeidsdeskundige C.A.M. de Beer blijkens zijn rapport van 15 mei 2002 op basis van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 29 april 2002 drie functies aan gedaagde geduid, de overige functies van deze lijst ook met haar besproken en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 37,07%. Een en ander heeft De Beer op 13 mei 2002 met gedaagde besproken en bij brief van 16 mei 2002 aan haar bevestigd. Vervolgens nam appellant een besluit van 6 juni 2002, waarbij hij aan gedaagde in aansluiting op het bereiken van het einde van de wachttijd met ingang van 7 november 2001 een WAO-uitkering toekende, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Tevens nam appellant het in rubriek I van deze uitspraak omschreven primaire besluit van dezelfde datum. In de bezwaarprocedure handhaafde de bezwaarverzekeringsarts J.C. Sier blijkens het rapport van 18 november 2002 de vastgestelde beperkingen maar corrigeerde hij de primaire beoordeling in die zin dat voor gedaagde tevens een urenbeperking dient te gelden tot
20 uur per week, te weten 4 x 5 uur of 5 x 4 uur. De bezwaararbeidsdeskundige J.A.C. Kramer heeft blijkens het rapport van 27 november 2002 vervolgens met inachtneming van de door Sier gestelde urenbeperking vastgesteld dat de in de primaire fase van de besluitvorming aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet meer geschikt zijn, aan de hand van een andermaal uitgedraaide arbeidsmogelijkhedenlijst van 27 november 2002 3 nieuwe functies geduid en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 44,78%. Vervolgens handhaafde appellant op basis van de rapporten van Sier en Kramer het primaire besluit.
In beroep heeft de gemachtigde van gedaagde, voor zover in dit geding nog van belang, aangevoerd dat het bestreden besluit niet kan blijven gehandhaafd omdat appellant in de bezwaarprocedure nieuwe functies heeft geduid en heeft verzuimd daarbij een aanzegtermijn van twee maanden in acht te nemen. Ten verwere op dit punt voerde appellant in zijn brief van 12 februari 2003 aan dat er in dit geval geen noodzaak bestond een aanzegtermijn in acht te nemen omdat de toekenning van de WAO-uitkering bij het einde van de wachttijd en de herziening naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% in één handeling heeft plaatsgevonden.
Met betrekking tot het onderhavige punt van geschil overwoog de rechtbank in de aangevallen uitspraak als volgt (waarbij appellant als verweerder en gedaagde als eiseres worden aangeduid):
“Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) geldt - anders dan bij beoordelingen per einde wachttijd - de hoofdregel dat de bij het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit in acht te nemen eisen die voortvloeien uit het zorgvuldigheidsbeginsel, meebrengen dat aan een betrokkene na confrontatie met de opvatting dat hij algemeen geaccepteerde arbeid kan verrichten een uitlooptermijn van minimaal twee maanden wordt gegund.
Verweerder heeft in het verweerschrift gesteld dat dit anders is indien de toekenning en de herziening van de uitkering in één handeling heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder medegedeeld dat voor dit standpunt steun wordt gevonden in de uitspraak van de Raad d.d. 2 november 2001, gepubliceerd in RSV 2002/42.
In deze uitspraak heeft de Raad overwogen dat er sprake was van een situatie die op één lijn te stellen is met de situatie waarin het gaat om een besluit tot toekenning of weigering per einde wachttijd, zodat er geen uitlooptermijn in acht genomen hoefde te worden. De Raad kende daarbij met name betekenis toe aan de omstandigheid dat de toekenning per einde wachttijd kennelijk is voortgevloeid uit het feit dat per einde wachttijd uitkering werd uitbetaald, terwijl betrokkene wel al door de arbeidsdeskundige voor de datum van einde wachttijd op de hoogte was gebracht van de mate van arbeidsonge- schiktheid.
Aangezien eiseres in casu eerst ruim een half jaar na einde wachttijd op de hoogte is gesteld van de mate van arbeids- ongeschiktheid ziet de rechtbank geen grond om van de bovengenoemde hoofdregel af te wijken. De vergelijking met de situatie in RSV 2002/42 gaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet op.
Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldigheidsgebrek en reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep zal gegrond worden verklaard. Verweerder zal een nieuwe beslissing op bewaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.”
In hoger beroep heeft appellant gesteld dat gedaagde op 15 mei 2002 te horen kreeg dat zij geschikt is voor maatgevende arbeid maar om administratieve redenen per het einde van de wachttijd 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Gedaagde heeft zich, aldus appellant, niet op een nieuwe situatie van arbeidsongeschiktheid hoeven in te stellen, waardoor haar geval op één lijn is te stellen met een besluit tot toekenning of weigering per het einde van de wachttijd. Volgens appellant is de uitleg van de rechtbank van de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 2 november 2001 te beperkt. Ter ondersteuning van zijn standpunt is van de zijde van appellant ter zitting van de Raad nog gewezen op de uitspraken van de Raad van 6 augustus 2002, LJN-nr AF1507, en 18 november 2003, LJN-nr AO0425.
De gemachtigde van gedaagde heeft in het verweerschrift verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
De Raad onderschrijft de aangevallen uitspraak. Zoals de rechtbank heeft overwogen geldt volgens vaste jurisprudentie van de Raad bij het nemen van een besluit tot herziening van een WAO-uitkering naar een lagere mate van arbeidsongeschikt- heid of intrekking van een WAO-uitkering - anders dan bij een besluit omtrent de vaststelling van de mate van arbeidsonge- schiktheid in aansluiting op het einde van de wachttijd - de hoofdregel dat een uitlooptermijn van minimaal twee maanden in acht wordt genomen. Een uitzondering op die hoofdregel wordt alleen aanvaard in het geval van een volledig afgeronde schatting (toekenning en herziening of intrekking) over een in het verleden gelegen periode. Van zo’n schatting is in dit geval echter geen sprake, nu in de bezwaarprocedure - naar appellant zelf vaststelde - bleek dat de WAO-uitkering van gedaagde om arbeidskundige redenen alleen kon worden herzien na een nieuwe functieduiding op basis van drie andere functies dan de aan het primaire besluit ten grondslag gelegde functies. Deze situatie is niet vergelijkbaar met de situaties aan de orde in de ter zitting van de zijde van appellant vermelde uitspraken van de Raad, waarin het in acht moeten nemen van de uitlooptermijn niet werd aangenomen. In de uitspraak van de Raad van 6 augustus 2002 ging het immers om de vraag of bij het nieuw te nemen besluit omtrent een herziening met betrekking tot een datum in het verleden was aangetoond dat op de herzieningsdatum de geduide functies voorhanden waren, hetgeen in de beroepsprocedure in eerste aanleg betreffende het eerdere besluit met betrekking tot die herziening niet werd aangenomen en om die reden tot vernietiging van dat eerdere besluit leidde. In de uitspraak van 18 november 2003 met betrekking tot een schatting over een afgesloten periode in het verleden speelde de vraag of een nadien alsnog geduide functie zozeer in het verlengde lag van een aan die schatting ten grondslag gelegde maar niet langer gehandhaafde functie dat het voor de betrokkene duidelijk had kunnen zijn dat zij ook voor die bijgeduide functie geschikt was. Wat betreft de ook door de rechtbank besproken uitspraak van de Raad van
2 november 2001 overweegt de Raad ten slotte dat die zag op de bijzondere, zich in dit geval niet voordoende, situatie dat de betrokkene, ondanks een toekenning per het einde van de wachttijd van een WAO-uitkering, reeds voor afloop van die wachttijd vanwege appellant was geïnformeerd omtrent het standpunt van appellant dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,= te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 409,= wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.