ECLI:NL:CRVB:2004:AR4992

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/777 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch.J.G. Olde Kalter
  • J. Verrips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op verlengde Ziektewetuitkering wegens niet-arbeidsongeschiktheid door zwangerschap

Appellante verzocht om een verlengde uitkering op grond van artikel 29a van de Ziektewet (ZW), omdat zij meende arbeidsongeschikt te zijn als gevolg van zwangerschap en/of bevalling. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit besluit in eerste aanleg.

In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd de vraag gesteld of appellante terecht was geweigerd de verlengde uitkering toe te kennen. De Raad baseerde zich op de feiten en omstandigheden die door de rechtbank als vaststaand waren aangenomen en die niet door partijen waren betwist. De Raad concludeerde dat appellante niet had aangetoond dat zij arbeidsongeschikt was door zwangerschap of bevalling.

De Raad benadrukte dat appellante haar stellingen niet had onderbouwd met medische gegevens die aanleiding zouden geven om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek en de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts. Daarom was geen grond aanwezig om het besluit te wijzigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit dat appellante geen recht heeft op verlengde Ziektewetuitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/777 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 16 oktober 2001 is appellante ervan in kennis gesteld dat zij op grond van artikel 29a van de Ziektewet (ZW) geen recht heeft op verlengde Ziektewetuitkering.
Bij besluit van 23 mei 2002 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak (ZW 02/1372-OOST) van 11 februari 2003 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. M.J. Blom, advocaat te Spijkenisse, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 28 mei 2004 heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat te Rotterdam, zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 september 2004, waar appellante, met voorafgaand bericht, niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de feiten en omstandigheden die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaand heeft aangenomen en waarvan de juistheid niet door partijen is betwist.
In dit geding moet de vraag worden beantwoord of gedaagde terecht heeft besloten dat appellante geen recht heeft op een verlengde uitkering op grond van de ZW, omdat appellante niet arbeidsongeschikt is als gevolg van zwangerschap en/of bevalling.
De rechtbank heeft die vraag bij de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord en daartoe - kort gezegd - overwogen geen aanleiding te zien de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts en het in het bestreden besluit aangehaalde standpunt van gedaagde in twijfel te trekken.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd vormt geen reden voor een andersluidend oordeel.
De Raad constateert daarbij dat appellante haar stellingen, zowel in beroep als in hoger beroep, niet heeft onderbouwd met gegevens van medische aard die aanleiding geven te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de onderzoeken en de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt.
De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch.J.G. Olde Kalter in tegenwoordigheid van J. Verrips en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2004.
(get.) Ch.J.G. Olde Kalter.
(get.) J. Verrips.