ECLI:NL:CRVB:2004:AR5149
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling gedifferentieerde WAO-premie op maximale premie kleine werkgever
Appellante maakte bezwaar tegen de vaststelling van haar gedifferentieerde WAO-premie voor 2002, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) was vastgesteld op het maximale tarief voor kleine werkgevers. Dit was mede gebaseerd op een in 2000 aan een ex-werknemer betaalde WAO-uitkering. Appellante voerde onder meer aan dat sprake was van willekeur en dat geen rekening was gehouden met regresmogelijkheden jegens de schadeveroorzaker.
De Raad oordeelde dat het beroep op het willekeurverbod niet slaagt, omdat de wetgeving en uitvoering niet leiden tot een ongelijke behandeling van premieplichtige werkgevers. De premiedifferentiatie heeft als doel werkgevers te stimuleren tot preventie en reïntegratie, waarbij kosten worden toegerekend aan de werkgever die deze het beste kan beïnvloeden. De Raad benadrukte dat de rechter niet bevoegd is de billijkheid van de wet te toetsen.
Verder wees de Raad het bezwaar af dat geen rekening werd gehouden met regresmogelijkheden, omdat de regeling voor premievermindering na ontvangst van schadevergoeding pas geldt voor uitkeringen die ingaan vanaf 1 januari 2002. De uitkering in kwestie was toegekend vóór die datum, zodat de regeling niet van toepassing is. De Raad bevestigde het bestreden besluit en zag geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie op het maximale tarief voor kleine werkgevers.