ECLI:NL:CRVB:2004:AR5407

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4474 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning en uitkering vervolgingsslachtoffer Japanse bezetting Nederlands-Indië

Eiseres, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in juli 2002 om erkenning als vervolgingsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Verweerster wees deze aanvraag bij besluit van 31 januari 2003 af, omdat de omstandigheden waaronder eiseres de Japanse bezetting heeft meegemaakt niet onder het begrip vervolging in de zin van artikel 2 van Pro de Wet vallen.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat uit de beschikbare gegevens, waaronder verklaringen van familieleden, niet blijkt dat eiseres of haar gezin tijdens de bezettingsjaren vrijheidsberoving heeft ondergaan. Hoewel de vader van eiseres als KNIL-militair geïnterneerd was, heeft de rest van het gezin geen maatregelen van de bezetter ondervonden die als vervolging kunnen worden aangemerkt. De moeilijke periode zonder vader werd erkend, maar voldeed niet aan de wettelijke definitie van vervolging.

Daarnaast wees de Raad erop dat gebeurtenissen in de aansluitende Bersiapperiode buiten de reikwijdte van de Wet vallen. Gezien deze omstandigheden was er geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit en werd het beroep ongegrond verklaard. Ook werd geen proceskostenvergoeding toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van haar aanvraag als vervolgingsslachtoffer wordt gehandhaafd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/4474 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 27 mei 2003, kenmerk JZ/T60/2003/0330, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 september 2004. Aldaar is eiseres niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
In juli 2002 heeft eiseres, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde in de zin van de Wet en om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering.
Bij besluit van 31 januari 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond - kort gezegd - dat de omstandigheden waaronder eiseres de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië heeft meegemaakt niet onder het begrip vervolging in de zin van artikel 2 van Pro de Wet kunnen worden gebracht.
De Raad overweegt als volgt.
Blijkens artikel 2 van Pro de Wet wordt - samengevat en voor zover hier van belang - onder vervolging verstaan:
handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.
Op grond van de voorhanden gegevens - waaronder gegevens betreffende de moeder van eiseres en twee broers, te weten [naam broers] die alledrie hebben verklaard dat tijdens de Japanse bezetting, toen vader [naam vader] in Japanse krijgsgevangenschap verbleef, de rest van het gezin geen vrijheidsberoving heeft ondergaan - heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat eiseres tijdens de bezettingsjaren vrijheidsberoving in voormelde zin heeft ondergaan. Uit die gegevens komt niet meer of anders naar voren dan dat eiseres - na de internering van haar vader als KNIL-militair - weliswaar een bijzonder moeilijke en verdrietige tijd zonder haar vader heeft doorgemaakt, doch van enige maatregel van de bezetter tegen de rest van het gezin inclusief eiseres zelf is niet gebleken. Wellicht ten overvloede doch ter voorlichting van eiseres merkt de Raad nog op dat de gemelde gebeurtenissen uit de periode direct aansluitend aan de oorlogsjaren 1940-1945, de zogenoemde Bersiapperiode, voor deze wet buiten beschouwing dienen te worden gelaten.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond. Het ingestelde beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2004.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) E. Heemsbergen.
HD
13.1