ECLI:NL:CRVB:2004:AR5499

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2035 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 WAOArt. 21a WAOArt. 21b WAOArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling vervolgdagloon bij WAO-uitkering voor jongere

Appellant, geboren in 1978, ontving vanaf 23 november 1998 een WAO-uitkering wegens 80-100% arbeidsongeschiktheid. Omdat hij jonger was dan 33 jaar bij ingang van de uitkering, heeft hij geen recht op een loondervingsuitkering, maar slechts op een vervolguitkering gebaseerd op het vervolgdagloon.

Gedaagde stelde het vervolgdagloon vast op f 75,16, rekening houdend met het dagloon van appellant en het minimum(jeugd)dagloon. Appellant betwistte deze berekening, maar de rechtbank verklaarde zijn beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak.

De Raad motiveert dat de vaststelling conform de artikelen 21, 21a en 21b van de WAO is gedaan en ziet geen aanleiding tot wijziging. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak wordt derhalve bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de juiste vaststelling van het vervolgdagloon van f 75,16 voor de WAO-uitkering van appellant.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/2035 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 26 april 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen het besluit van 1 november 2001, waarin gedaagde appellant heeft meegedeeld dat de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO-uitkering) ingaande 23 november 1998 gebaseerd is op het vervolgdagloon van f 75,16.
De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 12 maart 2003 het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is op bij beroepschrift van 22 april 2002 aangevoerde gronden tegen die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 17 juni 2003 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 oktober 2004, waar appellant is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
In geschil is of gedaagde de aan appellant toegekende WAO-uitkering op juiste gronden heeft gebaseerd op een vervolgdagloon van f 75,16.
De Raad overweegt hieromtrent het volgende.
In artikel 21 van Pro de WAO is bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat achtereenvolgens uit een loondervingsuitkering, waarvoor het dagloon als maatstaf geldt en een vervolguitkering, waarvoor het vervolgdagloon als maatstaf geldt.
In artikel 21a van de WAO is bepaald dat de duur van de loondervingsuitkering nihil is voor degene die op de datum met ingang waarvan hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend jonger is dan 33 jaar.
Ingevolge artikel 21b, eerste lid, van de WAO bestaat na afloop van de in artikel 21a bedoelde periode recht op een vervolguitkering met als maatstaf het vervolgdagloon.
Ingaande 23 november 1998 is aan appellant, geboren op 28 januari 1978, een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Appellant was ten tijde van de datum ingang van deze uitkering jonger dan 33 jaar.
Gelet op artikel 21a van de WAO heeft appellant, ten gevolge van zijn leeftijd ten tijde van ingang van de WAO-uitkering, geen recht op een loondervingsuitkering.
Blijkens artikel 21, eerste lid, van de WAO alsmede artikel 21b, eerste lid van die wet heeft appellant slechts recht op een vervolguitkering, die gebaseerd is op het vervolgdagloon. In artikel 21b, tweede en derde lid, van de WAO is bepaald hoe het vervolgdagloon berekend dient te worden.
Gedaagde heeft het vervolgdagloon, rekening houdend met appellants dagloon en het minimum(jeugd)dagloon vastgesteld op f 75,16. Gedaagde heeft deze berekening uiteengezet in zijn (primaire) besluit van 1 november 2001.
De Raad ziet op grond van de gedingstukken en voorgaande artikelen in aanmerking genomen, geen aanleiding dit dagloon voor onjuist te houden.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd omtrent de hoogte van het vervolgdagloon kan naar het oordeel van de Raad geen doel treffen.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 november 2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.