Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR5603

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/3154 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Werkloosheidswet (WW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziene dagloonvaststelling bij herhaalde aanvraag WAO-uitkering

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig afgeven van een besluit over de herberekening van haar dagloon voor de WAO-uitkering. Na een eerdere procedure stelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) het dagloon vast op f 83,29. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 21 maart 2000 gegrond en het beroep tegen het besluit van 11 april 2000 ongegrond.

In hoger beroep is uitsluitend het besluit van 11 april 2000 over de dagloonvaststelling in geschil. De rechtbank oordeelde dat het Uwv zorgvuldig heeft gehandeld door werkgevers nader te bevragen en bezoeken, en dat er geen aanwijzingen zijn dat onjuiste informatie is gebruikt. Appellante kon niet aantonen dat de gehanteerde loongegevens onjuist waren.

De Raad overweegt dat het hier gaat om een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb Pro en dat het Uwv appellante niet te kort heeft gedaan. De Raad bevestigt dat de verdiensten uit dienstverbanden en de WW-rechten correct zijn verwerkt in de dagloonvaststelling. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraak en verklaart het beroep van appellante ongegrond.

Uitspraak

02/3154 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 21 maart 2000 heeft gedaagde gegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het niet tijdig afgeven van een besluit inzake de herberekening van het dagloon, waarnaar de aan haar toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt berekend.
Tegen dit besluit is namens appellante beroep ingesteld.
Hangende dit beroep heeft gedaagde bij besluit van 11 april 2000 vorenbedoeld dagloon vastgesteld op f 83,29.
De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 2 mei 2002 onder kenmerk 00/300 het beroep van appellante, voorzover gericht tegen het besluit van 21 maart 2000, gegrond verklaard, het beroep van appellante, voorzover gericht tegen het besluit van 11 april 2000 ongegrond verklaard, bepaald dat het Uwv het griffierecht vergoedt en gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Namens appellante is mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij de Hout- en Bouwbond CNV, op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 26 augustus 2002, ingediend.
Bij brief van 2 september 2002, aangevuld bij brief van 21 oktober 2002, heeft gedaagde desverzocht de Raad nadere stukken doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 juli 2004, waar appellante in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Koekkoek, voornoemd, en waar voor gedaagde is verschenen B.C. Blom, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Aan appellante is bij besluit van 13 februari 1996 een uitkering krachtens de WAO toegekend naar een dagloon van f 48,14. Voordat appellante arbeidsongeschikt werd, ontving zij een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW).
De in rubriek I vermelde besluiten zijn een uitvloeisel van een namens appellante bij gedaagde ingediend bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 3 november 1998, waarbij gedaagde het verzoek van appellante van 12 mei 1998 om het dagloon van haar arbeidsongeschiktheidsuitkering te herberekenen heeft afgewezen.
In hoger beroep is uitsluitend in geschil de in het besluit van 11 april 2000 vervatte dagloonvaststelling.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met betrekking tot dit besluit, waarbij het dagloon van de aan appellante toegekend uitkering alsnog is vastgesteld op f 83,29, geoordeeld dat gedaagde daarbij zorgvuldig heeft gehandeld door de voormalige werkgevers van appellante nader te bevragen en te bezoeken. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat gedaagde van onjuiste informatie is uitgegaan. Voorts heeft appellante niet aangetoond dat de door gedaagde gehanteerde loongegevens onjuist zijn.
De Raad overweegt dat, gelet op de te zijner zitting van de zijde van gedaagde gegeven uiteenzetting, welke niet, althans onvoldoende is weersproken van de zijde van appellante, en in aanmerking nemende dat het in deze procedure in feite gaat om een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet worden vastgesteld dat gedaagde bij de herziene dagloonvaststelling appellante niet te kort heeft gedaan. Appellante had WW-rechten opgebouwd uit drie dienstverbanden. Ten tijde van haar ziekmelding had zij met betrekking tot één van deze dienstverbanden nog slechts aanspraak op WW-uitkering voor vijf uur per week. Voorheen was dit 15 uur. Aan de omstandigheid, dat een arbeidsdeskundige bij de vaststelling van het maatmaninkomen van appellante uit is gegaan van onder meer de verdiensten uit dit dienstverband bij een 15 urige werkweek, kan dan ook niet die betekenis worden toegekend die appellante daaraan wenst toe te kennen. Voorts is gebleken dat, hoewel het WW-recht uit een tweede dienstverband ten tijde van de ziekmelding vanuit de WW al was geëindigd, gedaagde nochtans de verdiensten uit dit dienstverband heeft verdisconteerd in de nadere dagloonvaststelling.
Geconcludeerd moet dan ook worden dat de uitspraak van de rechtbank, voorzover aangevallen, dient te worden bevestigd.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2004.
(get.) R.C. Schoemaker
(get.) M. Renden
MvK29104