ECLI:NL:CRVB:2004:AR5768

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4696 AW-VV + 04/4697 AW-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake herziening ontslaguitkering

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek ingediend tot herziening van een eerdere uitspraak waarin werd geoordeeld dat hij vanaf 1 april 1988 niet langer als werkloos kon worden beschouwd en de ontslaguitkering vervallen werd verklaard. Verzoeker stelde dat hij per 16 november 1995, de dag dat hij 55 jaar werd, niet langer beschikbaar hoefde te zijn voor de arbeidsmarkt en overlegd stukken ter onderbouwing.

De voorzieningenrechter overwoog dat een verzoek tot herziening slechts kan slagen indien nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd die voor de uitspraak niet bekend waren en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. De door verzoeker aangevoerde feiten en stukken waren echter redelijkerwijs vóór de uitspraak bekend en hadden toen ingebracht kunnen worden.

De voorzieningenrechter benadrukte dat het rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over reeds beoordeelde besluiten zonder nieuwe feiten. Gezien het voorgaande werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en is er geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het niet aannemelijk is dat het verzoek tot herziening zal slagen.

Uitspraak

04/4696 AW-VV
04/4697 AW-VV
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet in het geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaagde.
I. INLEIDING
Verzoeker heeft bij brief van 16 augustus 2004, aangevuld bij brieven van 25 augustus 2004, 9 september 2004, 15 september 2004 en 28 september 2004, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 20 september 2001, nrs. 99/67 AW en 00/4002 AW. Verzoeker heeft tevens het verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek om een voorlopige voorziening op een zitting achterwege gebleven.
II. MOTIVERING
1.1. Bij de hiervoor vermelde uitspraak van 20 september 2001 heeft de Raad geoordeeld dat het besluit van 9 oktober 1998 waarbij gedaagde de vervallenverklaring van de ontslaguitkering van verzoeker per 1 april 1988 heeft gehandhaafd omdat verzoeker per die datum in zodanige mate werkzaam was dat hij niet als werkloos kon gelden, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.
1.2. De Raad heeft vervolgens bij uitspraken van 13 februari 2003, nr. 02/6130 AW en 24 juni 2004, nrs. 03/2270 AW, 03/2271 AW en 04/1157 AW twee eerdere verzoeken van verzoeker om herziening van de uitspraak van 20 september 2001 afgewezen.
2. In het onderhavige verzoek om herziening heeft verzoeker wederom naar voren gebracht dat de Raad in zijn uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat hij ten minste in de periode 1988 tot 1996 niet langer beschikbaar was voor de arbeidsmarkt en derhalve niet langer als werkloos was aan te merken. Verzoeker stelt dat hij per 16 november 1995, toen hij 55 jaar werd, niet langer beschikbaar hoefde te zijn voor de arbeidsmarkt. Ten bewijze van deze stelling heeft verzoeker een aantal stukken overgelegd, waaronder een brief van het arbeidsbureau Zuid-Oost Drenthe van 3 april 1995, een brief van de Informatie Beheer Groep van 23 augustus 1995 en een brief van het USZO van
29 mei 1998.
3. Naar aanleiding van het thans gedane verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met de
artikelen 8:88, tweede lid, en 8:81 van de Awb kan, indien een verzoek is gedaan om herziening van een uitspraak van de Raad, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze procedure een oordeel wordt gegeven met betrekking tot het geschil in de hoofdzaak, heeft dat oordeel een voorlopig karakter en is het niet bindend in de hoofdzaak.
3.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het niet in redelijke mate waarschijnlijk dat het verzoek om herziening van de uitspraak van 20 september 2001 zal slagen. Een beroep op artikel 8:88 van Pro de Awb kan immers slechts slagen indien door een partij feiten of omstandigheden worden aangevoerd die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelij-kerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.3. Hetgeen door verzoeker is aangevoerd bevat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zodanige feiten en omstandigheden. De door verzoeker, bij herhaling, aangevoerde grieven en ter ondersteuning daarvan ingebrachte stukken hadden bij verzoeker in ieder geval vóór de uitspraak redelijkerwijs bekend kunnen zijn en verzoeker had deze vóór de uitspraak naar voren kunnen brengen. Voorts wijst de voorzieningenrechter er nogmaals op dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, een hernieuwde discussie over het besluit tot vervallenverklaring van de ontslaguitkering en het oordeel dat de Raad daarover reeds heeft gegeven te openen.
4. Op grond van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is.
5. Voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb af.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2004.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) L.N. Nijhuis.
RW411