Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR5842

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5346 AW-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake FPU-voorziening na privatisering gemeentelijke dienst

Gedaagde was sinds 1974 in dienst van de gemeente Amsterdam en werkte als coördinator computerdiensten bij het Gemeentelijk Centrum voor Elektronische Informatieverwerking (CGEI). Na de privatisering van deze diensttak per 1 juli 1997 werd zijn functie opgeheven, maar het ontslag werd opgeschort vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. Na herstel sloot hij per 1 juli 1999 een arbeidsovereenkomst met Roccade Megaplex bv, die geen FPU-voorziening kende. Gedaagde verzocht de gemeente om een FPU-voorziening op ABP-niveau, maar dit werd geweigerd.

De rechtbank verklaarde het beroep van gedaagde gegrond en vernietigde het besluit van de gemeente, met opdracht tot heroverweging binnen zes weken. De gemeente stelde vervolgens een verzoek in tot schorsing van deze uitspraak, stellende dat naleving tot onomkeerbare financiële verplichtingen zou leiden en dat het waarschijnlijk was dat het hoger beroep de uitspraak zou vernietigen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het complexe karakter van de zaak nader onderzoek vereist en dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak in de hoofdzaak geen stand zou houden. Bovendien was er geen sprake van onverwijlde spoed, mede omdat gedaagde niet aandrong op onmiddellijke uitvoering. Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen en de gemeente veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed en het complexe karakter van de zaak.

Uitspraak

04/5346 AW-VV
U I T S P R A A K
Van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verzoeker,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. INLEIDING
Namens verzoeker is bij schrijven van 31 augustus 2004 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2004, nr. AWB 02/1288 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij schrijven van 4 oktober 2004 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de Raad verzocht om met toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aangevallen uitspraak te schorsen totdat door de Raad op het hoger beroep is beslist.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 29 oktober 2004, waar verzoeker zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. J.M. Dekker en A.J. Rietveld, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. B.R. Kuijlman, werkzaam bij CNV Publieke Zaak.
II. MOTIVERING
1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Gedaagde is sedert 1974 in dienst geweest van de gemeente Amsterdam. In 1997 vervulde hij de functie van coördinator computerdiensten bij de diensttak Gemeentelijk Centrum voor Elektronische Informatieverwerking (CGEI).
1.2. Bij de privatisering van deze diensttak, die haar beslag kreeg per 1 juli 1997, is de functie van gedaagde opgeheven. In verband met zijn langdurige arbeidsongeschiktheid is het aan hem per 1 juli 1997 verleende ontslag opgeschort.
1.3. Na zijn hersteldverklaring is gedaagde met Roccade Megaplex bv per 1 juli 1999 een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht aangegaan. In het kader van het totstandkomen van deze arbeidsovereenkomst heeft gedaagde, met een beroep op de Sociale Paragraaf Verzelfstandiging GCEI, in een schrijven van 25 juni 1999 aan verzoeker gevraagd voor hem (binnen de grenzen van de door het ABP over te dragen reserves) een FPU-voorziening te treffen tot het ABP-niveau, aangezien Roccade Megaplex bv geen FPU-voorziening kende.
1.4. Verzoeker heeft bij besluit van 15 augustus 2000, gehandhaafd bij besluit van 10 december 2002, geweigerd aan dat verzoek te voldoen.
1.5. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door gedaagde tegen het besluit van 10 december 2002 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verzoeker opgedragen binnen zes weken na verzending van de uitspraak daarvoor in de plaats een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in die uitspraak is overwogen.
2.1. Verzoeker heeft verzocht om schorsing van de aangevallen uitspraak. Ter toelichting is gesteld dat er bij naleving van die uitspraak een onomkeerbare situatie zal ontstaan. Naleving betekent dat de gemeente Amsterdam aan gedaagde, per de (door hem te bepalen) datum waarop hij vervroegd met ontslag gaat bij Roccade Megaplex bv tot aan het tijdstip waarop hij in juni 2009 de 65-jarige leeftijd zal bereiken, uit eigen middelen een maandelijkse uitkering zal moeten verstrekken tot het FPU-niveau zoals dat voor ambtenaren in dienst van de gemeente Amsterdam geldt. Voorts stelt verzoeker dat het waarschijnlijk is dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep zal worden vernietigd. De gemeente Amsterdam loopt het risico van onverhaalbaarheid van de dan reeds (onverschuldigd) betaalde uitkeringen.
Verzoeker ziet voorts het risico voor gedaagde dat deze, na een vernietiging van de aangevallen uitspraak in de hoofdzaak, terecht komt in de situatie dat hij dan zonder baan zit en zonder (FPU-) uitkering.
2.2. Gedaagde onderkent de gestelde risico’s en stelt belang te hebben bij een spoedige beslissing in de hoofdzaak.
3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
3.1. De uitvoering van de aangevallen uitspraak bergt een risico in zich zowel voor verzoeker als de veroordeelde partij, als
- zeker ook - voor gedaagde als de in het gelijk gestelde partij. Toewijzing van het onderhavige verzoek zou een mogelijkheid bieden om die risico’s uit te sluiten.
3.2. De vraag is echter of er voldoende gronden zijn voor toewijzing. Daartoe zou een bevestigend antwoord gegeven moeten worden op de vraag of het, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in redelijke mate waarschijnlijk is dat de aangevallen uitspraak in de hoofdzaak in rechte geen stand zal houden. Daarvoor is echter, gelet op het complexe karakter van de zaak, nader onderzoek nodig, dat het beperkte kader van dit geding te buiten gaat.
3.3. Ter zitting geconfronteerd met dat gegeven alsmede met de door de voorzieningenrechter geuite verwachting dat de Raad de hoofdzaak uiterlijk in april 2005 ter zitting zal behandelen, heeft gedaagde medegedeeld dat hij, onder die omstandigheden, niet bij verzoeker zal aandringen om thans reeds uitvoering te geven aan de opdracht van de rechtbank de FPU-voorziening voor hem te treffen.
3.4. Dit voorgaande brengt de voorzieningerechter tot de conclusie dat er geen sprake (meer) is van onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, het treffen van voorlopige voorziening vereist. Het verzoek van verzoeker moet daarom worden afgewezen.
4. De voorzieningenrechter ziet tot slot aanleiding verzoeker te veroordelen tot betaling van gedaagdes proceskosten in het onderhavige geding, begroot op € 322,- aan kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van € 322,-, te betalen door de gemeente Amsterdam.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 november 2004.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) C. Dierdorp.