ECLI:NL:CRVB:2004:AR5922
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th. C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijstandsuitkering wegens niet-rechtmatig verblijf in Nederland
Appellant, van Turkse nationaliteit, verzocht op 16 oktober 2000 om een bijstandsuitkering. Het College van burgemeester en wethouders van Groningen wees dit verzoek bij besluit van 17 november 2000 af omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef zoals vereist onder de Algemene bijstandswet (Abw).
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 18 april 2001 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Groningen, die op 2 april 2002 het beroep ongegrond verklaarde. De rechtbank oordeelde dat appellant geen recht had op een uitkering omdat hij niet als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet werd beschouwd en niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd dit oordeel bevestigd. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en overwoog dat appellant niet beschikte over een verblijfsvergunning zoals bedoeld in artikel 11 van Pro het Europees Verdrag voor Sociale en Medische Bijstand (EVSMB). Hierdoor was er geen sprake van rechtmatig verblijf en kon de bijstandsuitkering terecht worden geweigerd.
De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De zaak werd behandeld in een enkelvoudige kamer zonder dat partijen verschenen bij de zitting van 26 oktober 2004.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de bijstandsuitkering wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland.