ECLI:NL:CRVB:2004:AR5931

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1886 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen besluit inzake eigen bijdrage voor orthopedisch schoeisel voor vervolgingsslachtoffer

In deze zaak gaat het om een beroep van eiseres, een vervolgingsslachtoffer, tegen een besluit van de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Eiseres had een verzoek ingediend voor vergoeding van de kosten van orthopedisch schoeisel op basis van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Verweerster had eerder aan eiseres vergoedingen verleend, maar besloot op 17 januari 2002 een eigen bijdrage in te voeren voor de kosten van orthopedisch schoeisel. Eiseres was niet op de hoogte gesteld van deze wijziging en ontving eenmalig volledige vergoeding voor haar schoeisel, maar moest vanaf dat moment rekening houden met de eigen bijdrage.

Eiseres diende een declaratie in voor orthopedisch schoeisel, maar ontving slechts een gedeeltelijke vergoeding. Tegen deze beslissing maakte zij bezwaar, dat door verweerster ongegrond werd verklaard. Eiseres stelde dat zij recht had op volledige vergoeding gezien haar langdurige gebruik van speciale schoenen en haar voetklachten. De Centrale Raad van Beroep moest beoordelen of het besluit van verweerster in stand kon blijven.

De Raad oordeelde dat verweerster terecht had besloten om een eigen bijdrage toe te passen, aangezien artikel 20 van de Wet alleen extra kosten vergoedt en niet de algemeen gebruikelijke kosten. De Raad vond de toepassing van een normbedrag voor de vergoeding van orthopedisch schoeisel redelijk en in overeenstemming met de wetgeving. De beslissing van verweerster om de vergoeding te beperken tot boven het normbedrag werd als rechtmatig beschouwd, en de Raad verklaarde het beroep van eiseres ongegrond.

Uitspraak

E N K EL V O U D I G E K A M E R
04/1886 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen-en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Verweerster heeft onder dagtekening 31 maart 2004, kenmerk JZ/F80/2004/0203, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna te noemen: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiseres op de in haar beroepschrift aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld. Bij schrijven van 13 juli 2004 (met bijlage) heeft zij dit beroep nader toegelicht.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend en bij schrijven van 27 september 2004 nog enkele stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 30 september 2004. Eiseres is daar in persoon verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken is eiseres vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Verweerster heeft aanvaard dat onder meer de voetklachten van eiseres in verband staan met de door haar ondergane vervolging en heeft haar in verband daarmee in 1973 ingevolge artikel 20 van de Wet vergoeding verleend van de kosten verbonden aan de aanschaf van door de behandelend arts voorgeschreven orthopedisch schoeisel, zulks ten hoogste tweemaal per jaar en voor zover deze kosten niet door verzekering of krachtens een sociale verzekeringswet worden gedekt.
Naar aanleiding van een declaratie van eiseres van 8 januari 2003, waarbij zij onder andere de kosten van orthopedisch schoeisel ad € 319,90 had gedeclareerd, heeft verweerster haar bij schrijven van 20 januari 2003 meegedeeld dat tot dat tijdstip de kosten van orthopedisch schoeisel aan eiseres waren vergoed zonder rekening te houden met de aftrek van een eigen bijdrage per paar maar dat door verweerster vanaf 17 januari 2002 een eigen bijdrage als aftrek wordt toegepast. Verweerster heeft daarbij voorts meegedeeld dat, omdat verzuimd was eiseres daarvan op de hoogte te stellen, zij nog eenmalig in aanmerking kwam voor de volledige vergoeding van die aanschaf, maar dat vanaf dat moment de aftrek voor nieuw aan te schaffen schoenen vastgesteld zou worden overeenkomstig de regelgeving aangaande de eigen bijdrage voor orthopedisch schoeisel in de Regeling hulpmiddelen 1996 in het kader van de Ziekenfondswet.
Van een door eiseres in januari 2004 gedeclareerd bedrag voor orthopedisch schoeisel ad € 144,00 is aan haar vervolgens bij betalingsbeschikking van 13 januari 2004 een bedrag van € 28,00 toegekend.
Het tegen die beschikking door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerster bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.
Eiseres kan zich met dat besluit niet verenigen. Zij voert aan dat zij al twintig jaar speciale schoenen vergoed krijgt op grond van de Wet en dat zij gezien haar voetklachten niet kan volstaan met goedkope schoenen.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Door verweerster wordt niet betwist dat eiseres op grond van met de vervolging verband houdende klachten aanspraak heeft op een voorziening met betrekking tot de aanschaf van orthopedisch schoeisel. Verweerster heeft echter besloten om geen integrale vergoeding voor dat schoeisel meer te geven.
Naar ter zitting door de gemachtigde van verweerster is toegelicht berust dat besluit op de overweging dat artikel 20 van de Wet ziet op extra kosten en niet op algemeen gebruikelijke kosten en dat zij derhalve ter berekening van de voor speciaal of orthopedisch schoeisel noodzakelijke kosten ingevolge artikel 20 van de Wet rekening mag houden met een normbedrag in het kader van de aanschaf van normale schoenen.
Nadat, aldus verweerster, was geconstateerd dat in de praktijk grote verschillen bestonden in de vergoeding van orthopedisch en speciaal schoeisel, is in 2002 besloten om de afhandeling van declaraties voor deze voorziening voor de toekomst gelijk te trekken. Bij de vergoeding van zowel orthopedisch als speciaal schoeisel wordt rekening gehouden met de ingevolge de Regeling hulpmiddelen 1996 in het kader van de Ziekenfondswet geldende eigen bijdrage voor orthopedisch schoeisel.
Verweerster heeft bij de invoering van deze wijziging van haar uitvoeringspraktijk een overgangsregeling in acht genomen.
Artikel 20 van de Wet bepaalt dat de ten laste van de vervolgde blijvende, met de causale ziekten en gebreken direct verband houdende, extra kosten voor noodzakelijke voorzieningen worden vergoed. Dit brengt mee dat kosten die als algemeen gebruikelijk moeten worden beschouwd niet voor vergoeding in aanmerking komen.
De beslissing van verweerster om bij de uitvoering van artikel 20 rekening te houden met een normbedrag dat voor aanschaf van schoeisel als algemeen gebruikelijk kan gelden en slechts de boven dat normbedrag uitstijgende kosten als zijnde extra kosten te vergoeden, acht de Raad in overeenstemming met een redelijke toepassing van die wettelijke bepaling. Dat verweerster in het verleden aan artikel 20 op een meer ruimhartige wijze toepassing heeft gegeven staat daaraan ook naar het oordeel van de Raad niet in de weg, nu verweerster de betrokkenen te voren heeft ingelicht over de op handen zijnde wijziging en een overgangstermijn van een jaar in acht heeft genomen.
Ook van het gehanteerde normbedrag, dat verweerster in aansluiting op het in de Regeling hulpmiddelen 1996 in het kader van de Ziekenfondswet geldende bedrag aan eigen bijdrage voor orthopedisch schoeisel heeft vastgesteld op € 116,00 voor het jaar 2003 en dat, aldus verweerster, is gebaseerd op de Consumentenprijsindex Alle Huishoudens, artikelgroep “Schoeisel en schoenreparaties van het CBS” kan naar het oordeel van de Raad niet gezegd worden dat het een onredelijk hoog bedrag is.
Het in geding zijnde besluit is genomen in overeenstemming met hetgeen hierboven is overwogen.
Het vorenstaande betekent dat het door eiseres ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 november 2004.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) E. Heemsbergen.