ECLI:NL:CRVB:2004:AR5967
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van inkomsten uit arbeid versus vermogen bij WAO-uitkering en boeteoplegging wegens schending mededelingsplicht
Appellant ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) en gaf op inlichtingenformulieren aan geen inkomsten uit arbeid te hebben naast de uitkering. Uit onderzoek bleek dat appellant actief was in de handel en verhuur van onroerend goed, wat leidde tot terugvordering van onverschuldigde uitkeringen en oplegging van een boete wegens schending van de mededelingsplicht.
De Raad beoordeelde of de inkomsten uit de verhuur en verkoop van onroerend goed als inkomsten uit arbeid moesten worden aangemerkt. Hoewel appellant een fiscale keuze had gemaakt om deze inkomsten als vermogensinkomsten te kwalificeren, oordeelde de Raad dat de omvang en aard van de activiteiten deze keuze niet konden beschermen. De activiteiten gingen verder dan normaal vermogensbeheer en waren van dien aard dat zij als arbeid moesten worden beschouwd.
Verder werd bevestigd dat appellant zijn mededelingsplicht had geschonden door niet te melden dat hij inkomsten genoot uit arbeid, wat rechtvaardigde dat een boete werd opgelegd. De Raad stelde de boete vast op € 623,95 voor de periode 1 augustus 1996 tot 1 januari 1997. Diverse beroepen van appellant werden ongegrond verklaard, terwijl in één zaak het boetebesluit werd vernietigd vanwege het ontbreken van rechtszekerheid over latere jaren.
De Raad veroordeelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tot betaling van proceskosten aan appellant en wees diverse bezwaren tegen terugvorderingsbesluiten af. De uitspraak bevestigt de toepassing van de kortingsbepalingen op inkomsten uit zelfstandige arbeid en benadrukt het belang van correcte informatieverstrekking aan het UWV.
Uitkomst: Hoger beroep wordt grotendeels afgewezen; inkomsten uit verhuur worden als arbeid aangemerkt en boete wegens schending mededelingsplicht bevestigd.