ECLI:NL:CRVB:2004:AR6017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering IOAZ-uitkering wegens niet-melden werkzaamheden in vennootschap
Appellant was sinds 1991 zelfstandig ondernemer en zette in 1998 zijn eenmanszaak om in een vennootschap onder firma samen met zijn echtgenote. Hij vroeg in november 1999 een uitkering aan op grond van de Algemene bijstandswet en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen, waarbij hij aangaf arbeidsongeschikt te zijn en zich uit het handelsregister te hebben uitgeschreven.
De gemeente kende hem een uitkering toe, maar beëindigde deze later op grond dat hij geen zelfstandige meer was. Vervolgens kreeg appellant een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ).
Tijdens een heronderzoek in 2002 bleek dat appellant en zijn echtgenote sinds januari 2000 als vennoten in een vennootschap onder firma stonden ingeschreven en werkzaamheden verrichtten zonder dit te melden aan de gemeente. Dit leidde tot intrekking van de IOAZ-uitkering en terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel, stellende dat de informatieplicht bewust was geschonden en dat de voorwaarden voor intrekking en terugvordering waren vervuld.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de IOAZ-uitkering worden bevestigd wegens het niet melden van werkzaamheden in de vennootschap onder firma.