ECLI:NL:CRVB:2004:AR6143

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/6416 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongevallenverzekering (WAO)Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling dagloon op basis van 32-urige werkweek bij WAO-uitkering

Appellante, werkzaam als commercieel medewerkster, werkte tot 1 september 1998 40 uur per week en ging daarna 32 uur werken. Na ziekmelding per 4 november 1998 kende het UWV haar een WAO-uitkering toe gebaseerd op een 32-urige werkweek. Appellante stelde dat de urenvermindering tijdelijk was en dat haar uitkering op basis van 40 uur moest worden berekend.

De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep ongegrond, omdat uit het werkgeversformulier bleek dat de werkgever uitging van een 32-urige werkweek en appellante geen loonclaim voor 40 uur had ingediend. In hoger beroep herhaalde appellante haar stelling dat zij slechts tijdelijk minder werkte vanwege minder werk bij haar werkgever.

De Raad concludeerde dat er geen concrete aanknopingspunten waren voor een ander oordeel. Salarisspecificaties toonden aan dat appellante na 1 september 1998 feitelijk nauwelijks minder werkte door overuren. Toeslagen over deze overuren zijn in het dagloon verwerkt. Ook gaf appellante uiteenlopende verklaringen over de urenvermindering. Daarom bevestigde de Raad de eerdere uitspraak.

Uitkomst: De vaststelling van het dagloon op basis van een 32-urige werkweek wordt bevestigd.

Uitspraak

02/6416 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 13 maart 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen de vaststelling van het dagloon waarnaar de aan haar ingaande 3 november 1999 toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsonge- schiktheidsverzekering (WAO) wordt berekend.
De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 15 november 2002, registratienummer 00/497, het door appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante is bij gemachtigde mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 4 februari 2003, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 september 2004, waar appellante, zoals aangekondigd, niet is verschenen en waar voor gedaagde is verschenen mr. A.I. Damsma, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante was werkzaam als commercieel medewerkster. Tot 1 september 1998 werkte zij 40 uur per week. Ingaande deze datum is zij 32 uur gaan werken. Per 4 november 1998 heeft appellante zich ziek gemeld.
Ingaande 3 november 1999 heeft gedaagde appellante een uitkering krachtens de WAO toegekend naar een dagloon gebaseerd op haar verdiensten bij een 32-urige werkweek.
In bezwaar en beroep heeft appellante gesteld dat de urenvermindering per 1 september 1998 slechts een tijdelijk karakter had en dat zij om die reden aanspraak maakt op een uitkering naar een dagloon, gebaseerd op het bij een 40-urige werkweek behorende salaris.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in navolging van gedaagde appellante hierin niet gevolgd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit het door de werkgever van appellante ingevulde werkgeversformulier, behorende bij de aanvraag om een WAO-uitkering, blijkt dat de werkgever is uitgegaan van een dienstverband van 32 uur. Verder is niet gebleken dat appellante behoudens een telefoontje het loon heeft geclaimd dat hoort bij een 40-urige werkweek. De rechtbank is op grond hiervan tot het oordeel gekomen dat gedaagde zich in redelijkheid heeft kunnen baseren op de informatie van de werkgever, waaruit blijkt dat appellante een werkweek van 32 uur had.
In hoger beroep heeft appellante haar stelling herhaald dat zij slechts tijdelijk minder is gaan werken. Als redengeving hiervoor heeft zij gesteld dat haar werkgever in de periode na 1 september 1998 minder werk beschikbaar had. Het was steeds haar intentie om haar werkzaamheden weer uit te breiden naar 40 uur per week.
Bij gebreke van concrete aanknopingspunten in de gedingstukken voor een andersluidend oordeel is de Raad met de rechtbank van oordeel dat gedaagde terecht is uitgegaan van een dienstverband van 32 uur per week. De Raad wijst er hierbij op dat blijkens de zich onder de gedingstukken bevindende salarisspecificaties appellante na 1 september 1998 feitelijk niet of nauwelijks minder is gaan werken. In de maanden september en oktober 1998 heeft zij een aanzienlijk aantal overuren gemaakt, waardoor na 1 september 1998 slechts in beperkte mate sprake is geweest van een inkomens- achteruitgang. De toeslagen over deze overuren zijn bij het bestreden besluit alsnog in het dagloon verdisconteerd. Voorts kan de Raad er niet aan voorbijgaan dat appellante omtrent de urenvermindering in de loop van de procedure uiteenlopende verklaringen heeft gegeven.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 november 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) L.M. Reijnierse.