ECLI:NL:CRVB:2004:AR6160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R.C. Stam
- C.M. van Wechem
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Gedaagde was van 1992 tot 1996 zelfstandig ondernemer en trad daarna in dienst als directeur bij een vennootschap waarvan hij één aandeel bezat, terwijl de grootaandeelhouder tevens een aanzienlijke vordering op hem had. Na ziekte-uitval in 1997 werd zijn aanvraag voor een WAO-uitkering afgewezen omdat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking werd aangenomen.
De rechtbank oordeelde dat wel sprake was van een dienstbetrekking vanwege de aanwezigheid van loonbetaling, persoonlijke arbeidsverrichting en een gezagsverhouding met de grootaandeelhouder. Appellant, het UWV, ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat de verhouding vooral financieel was en dat er geen reëel werkgeversgezag bestond.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de grootaandeelhouder als bijna volledige eigenaar feitelijk gezag kon uitoefenen. De bijzondere omstandigheden, zoals de hypotheek op de woning van gedaagde, wezen juist op een afhankelijke positie. De Raad bevestigde dat gedaagde niet wezenlijk anders werkte dan voorheen als zelfstandige, maar dat het werkgeversgezag wel aanwezig was.
De Raad bevestigde het vernietigende oordeel van de rechtbank en wees proceskosten af. Hiermee bleef de weigering van de WAO-uitkering in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en weigert de WAO-uitkering.