ECLI:NL:CRVB:2004:AR6215
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekkingsbesluit WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellant had een WAO-uitkering die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) per 3 januari 2001 werd ingetrokken op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Na bezwaar en vernietiging van het eerste besluit door de rechtbank, nam het UWV een nieuw besluit (besluit II) dat eveneens de intrekking handhaafde. Appellant stelde dat dit besluit onvoldoende gemotiveerd was en dat zijn opleidingsniveau niet voldeed aan de vereisten van de geselecteerde functies.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep mede tegen besluit II was gericht en dat besluit I als ingetrokken kon worden beschouwd. Het nieuwe besluit II voldeed echter niet aan de motiveringseisen, met name omdat niet duidelijk was gemaakt hoe rekening was gehouden met de kritiek van de rechtbank op de arbeidskundige grondslag.
Desondanks liet de Raad de rechtsgevolgen van besluit II in stand, omdat de medische beperkingen van appellant juist waren vastgesteld en hij met inachtneming daarvan in staat werd geacht de geselecteerde functies te vervullen. De Raad wees op een rapport van een bezwaar-verzekeringsarts en de toelichting van het UWV over het opleidingsniveau en werkervaring van appellant.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep en bepaalde dat het betaalde recht werd vergoed.
Uitkomst: Besluit tot intrekking WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, rechtsgevolgen blijven in stand en UWV wordt veroordeeld in proceskosten.