ECLI:NL:CRVB:2004:AR6246
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag erkenning vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken vervolging in zin van de wet
Eiser, geboren in 1932 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in januari 2003 een aanvraag in voor erkenning als vervolgingsslachtoffer en toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Verweerster wees de aanvraag af omdat niet was gebleken dat eiser vervolging in de zin van de Wet had ondergaan en de omstandigheden van de oorlogsjaren niet uitzonderlijk genoeg waren om hem gelijk te stellen met een vervolgde.
De Raad overwoog dat de discretionaire bevoegdheid van verweerster om personen met een vervolgde gelijk te stellen beperkt is tot situaties waarin het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Gezien de feiten, waaronder de tewerkstelling waarbij eiser elke avond naar huis mocht terugkeren, was er geen sprake van vrijheidsberoving of permanente bewaking zoals vereist volgens artikel 2 van Pro de Wet.
De Raad vond geen grond voor vernietiging van het besluit en verklaarde het beroep ongegrond. Ook werd geen vergoeding van proceskosten toegekend. De mishandeling die eiser stelde kon niet worden geplaatst binnen de definitie van vervolging in de zin van de Wet.
Het vonnis werd uitgesproken door rechter G.L.M.J. Stevens op 18 november 2004.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat niet is gebleken dat eiser vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.