ECLI:NL:CRVB:2004:AR6254

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5943 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag tegemoetkoming verhuiskosten oorlogsslachtoffer wegens ontbreken medische indicatie

Eiser, een oorlogsslachtoffer geboren in 1934, verzocht om een bijzondere voorziening voor kosten van verhuizing en herinrichting na zijn verhuizing in december 2002. Hij stelde dat sociale omstandigheden, zoals dreigende vereenzaming na het overlijden van zijn moeder, aanleiding waren voor de verhuizing naar een plaats waar hij meer sociale contacten had.

Verweerster wees de aanvraag af omdat er geen medische of sociaal-medische indicatie was voor de verhuizing, wat werd ondersteund door adviezen van geneeskundig adviseurs. Het beroep van eiser richtte zich op de sociale omstandigheden, maar erkende het ontbreken van een strikte medische indicatie.

De Raad oordeelde dat de verhuizing vooral op pragmatische gronden plaatsvond en dat de medische gegevens geen aanwijzingen gaven voor ernstige psychische klachten die een tegemoetkoming rechtvaardigen. Gezien de discretionaire bevoegdheid van verweerster en het karakter van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers, werd het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de tegemoetkoming in verhuiskosten blijft in stand.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/5943 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 17 oktober 2003, kenmerk JZ/FvM70/2003/0794, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 oktober 2004, waar eiser in persoon is verschenen met bijstand van R.R. Cohen te Amsterdam. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren in 1934, is vervolgde en als zodanig uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Tevens zijn hem enkele bijzondere voorzieningen toegekend. Hierbij is aanvaard dat de psychische klachten van eiser in causaal verband staan met de door hem tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 vanwege zijn joodse afkomst ondergane vervolging.
Bij aanvraag van maart 2003 heeft eiser verzocht om een bijzondere voorziening in de kosten van verhuizing en herinrichting in verband met zijn verhuizing, in december 2002, van [naam gemeente] naar [woonplaats]. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat hij zich na het overlijden van zijn moeder, met wie hij samenwoonde, in [naam gemeente] zeer eenzaam voelde en daarom liever in [woonplaats] wilde wonen alwaar hij meer sociale contacten heeft, waaronder zijn daar wonende vriendin.
Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 9 juli 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Dienaangaande is overwogen dat niet kan worden aangenomen dat op grond van de aanvaarde psychische klachten een medische dan wel medisch sociale indicatie bestond voor verhuizing. In het bijzonder is in aanmerking genomen dat niet is gebleken van ernstige psychische klachten terwijl de verhuizing ook veeleer op pragmatische gronden was gebaseerd.
In beroep is door eiser op zich niet betwist dat voor zijn verhuizing een strikte medische indicatie ontbrak. Wel acht eiser sprake van duidelijke sociale omstandigheden, met name een dreigende vereenzaming, die naar zijn mening vanwege de mogelijke gevolgen daarvan voor zijn psychisch welbevinden voor verweerster aanleiding hadden moeten zijn om hem op grond van artikel 21 van Pro de Wet een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten te verlenen.
Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Blijkens de gedingstukken is het hiervoor weergegeven standpunt van verweerster dat niet kan worden gesproken van een medische dan wel sociaal-medische indicatie tot verhuizen op grond van psychische klachten, in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. In deze adviezen, die berusten op het geheel van de bij verweerster in verband met eerdere aanvragen voorhanden medische gegevens zoals aangevuld op basis van een onderzoek door de geneeskundig adviseur R. van Gorkum op 19 juni 2003 en recente informatie uit de behandelende sector, is aangegeven - samengevat - dat de verhuizing deels op pragmatische gronden berust en dat van een samenhang met ernstige psychische klachten niet is kunnen blijken.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en toereikend gemotiveerd.
In de voorhanden medische en andere gegevens heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunt gevonden om de door verweerster gevolgde medische visie onjuist te oordelen. Ook de Raad leidt uit die gegevens af dat eisers verhuizing naar [woonplaats] toch vooral heeft plaatsgevonden om praktische redenen; eiser kon daar een grotere en mooiere woning krijgen in de nabijheid van het woonadres van zijn vriendin. Van een belangrijke medische component daarbij is uit het ingestelde medisch onderzoek niet gebleken.
Verweerster ziet bij het ontbreken van een zodanige component voor toekenning van een tegemoetkoming op grond van artikel 21 van Pro de Wet geen aanleiding.
In aanmerking genomen enerzijds het op de medische gevolgen van de vervolging toegespitste karakter van de Wet, en anderzijds de omstandigheid dat de in artikel 21 van Pro de Wet aan verweerster gegeven bevoegdheid om een tegemoetkoming te verlenen discretionair van aard is hetgeen betekent dat aan verweerster hierbij een ruime beleidsvrijheid toekomt, kan de Raad dit standpunt van verweerster niet aantasten.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2004.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen.