ECLI:NL:CRVB:2004:AR6537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende onderzoek naar AOW-verzekering op grond van nabestaandenpensioen
Appellante, woonachtig in Groot-Brittannië, ontving sinds 1985 een nabestaandenpensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), later omgezet in een nabestaandenpensioen volgens de Algemene nabestaandenwet (ANW). Gedaagde, de Sociale verzekeringsbank, beëindigde haar recht op nabestaandenpensioen per 1 november 2002 omdat zij 65 jaar werd en wees haar aanvraag voor een AOW-pensioen af omdat zij nooit in Nederland had gewoond of gewerkt.
De rechtbank onderschreef dit standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat onvoldoende was onderzocht of appellante mogelijk toch verzekerd was geweest voor de AOW op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen, vanwege haar nabestaandenpensioen. De Raad stelde dat niet duidelijk was of appellante tussen 1 juni 1985 en 24 december 1985 een buitenlandse uitkering ontving of werkte, wat van belang is voor de verzekering.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat de Sociale verzekeringsbank een nieuwe beslissing moet nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de uitspraak worden vernietigd en de Sociale verzekeringsbank moet een nieuwe beslissing nemen.