ECLI:NL:CRVB:2004:AR6539

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/389 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 AOWArt. 13 ANWArt. 8:75 AwbKoninklijk Besluit inzake vrijwillige verzekering AOW en ANW van 2 januari 1990 (Stbl. 38)Koninklijk Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 24 december 1998 (Stbl. 746)
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing deelname vrijwillige AOW/ANW-verzekering wegens ontbreken verplichte verzekering

Appellante, woonachtig in Marokko, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek tot deelname aan de vrijwillige verzekering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (ANW). Gedaagde, de Sociale verzekeringsbank, had dit verzoek afgewezen omdat appellante niet in Nederland woonde of werkte en daardoor niet verplicht verzekerd was in het jaar voorafgaand aan haar aanvraag.

De rechtbank Amsterdam had dit standpunt bevestigd, waarna appellante in hoger beroep ging bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat op grond van het Koninklijk Besluit inzake vrijwillige verzekering AOW en ANW alleen vrijwillige verzekering mogelijk is aansluitend op een periode van verplichte verzekering. Omdat appellante nooit verplicht verzekerd was geweest, kon zij niet deelnemen aan de vrijwillige verzekering.

De Raad bevestigde het bestreden besluit en zag geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door mr. T.L. de Vries, in aanwezigheid van de griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 november 2004.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet in aanmerking komt voor deelname aan de vrijwillige AOW/ANW-verzekering omdat zij niet verplicht verzekerd was.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/389 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellante is op bij beroepschrift aangevoerde gronden, aangevuld bij schrijven van 21 februari 2004, in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2003, reg.nr. AWB 02/5458 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 oktober 2004, waar beide partijen, met kennisgeving, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft appellante, die nooit in Nederland gewoond of gewerkt heeft, in het genot gesteld van een nabestaandenpensioen ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) in verband met het overlijden van haar man.
Appellante heeft zich bij brief van 10 januari 2002 bij gedaagde aangemeld voor de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW/ANW. Gedaagde heeft appellante bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 25 juli 2002 medegedeeld dat zij niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering omdat aanmelding moet plaatsvinden binnen één jaar na het einde van de verplichte verzekering en appellante in het jaar voorafgaand aan de aanvraag niet verplicht verzekerd is geweest voor de AOW en de ANW. De rechtbank heeft dit standpunt onderschreven.
Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij een nabestaandenpensioen ingevolge de ANW ontvangt en dat zij deel wil nemen aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW/ANW.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 2 van Pro het Koninklijk Besluit inzake vrijwillige verzekering AOW en ANW van 2 januari 1990, Stbl. 38 (hierna: KB 38) is vrijwillige verzekering voor de AOW en ANW alleen mogelijk in aansluiting op een periode van verplichte verzekering voor de AOW en ANW.
Op grond van artikel 6 van Pro de AOW en artikel 13 van Pro de ANW is verplicht verzekerd degene die ingezetene is dan wel geen ingezetene is doch die ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
Nu appellante voorafgaand aan de gevraagde vrijwillige verzekering woonde noch werkte in Nederland, kan zij op grond van deze artikelen niet geacht worden verplicht verzekerd te zijn geweest ingevolge de AOW en de ANW.
Aan de kring van verzekerden voor de AOW en ANW is uitbreiding gegeven in het Koninklijk besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 24 december 1998, Stbl. 746 (hierna: KB 746). Op grond van artikel 26 van Pro KB 746, zoals dat tot 1 januari 2000 heeft gegolden, was degene die buiten Nederland woonde en die een uitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet ontving ook verplicht verzekerd ingevolge de AOW en de ANW als het recht op de uitkering aansloot op een periode van verplichte verzekering ingevolge deze wetten. Gedaagde heeft appellante in verband met het overlijden van haar man een ANW-uitkering toegekend. Voorafgaand aan de toekenning van dat recht was appellante niet verplicht verzekerd nu zij in Nederland woonde noch werkte. Appellante was op grond van KB 746 dus evenmin verplicht verzekerd in de periode voorafgaand aan de door haar gewenste vrijwillige verzekering.
De Raad is derhalve van oordeel dat appellante niet verplicht verzekerd is geweest, zodat zij niet in aanmerking komt voor deelname aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en ANW.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 november 2004
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1, derde tot en met zevende lid, 2, 3 en 6 van die wet en de op die artikelen berustende bepalingen.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
III. DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),
statue:
confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par M. le maître T.L. de Vries en présence de le maître M.B.M. Vermeulen en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 12-11-2004.
Chacune des parties peut introduire un pourvoi en cassation contre une décision du Conseil Central d'Appel en conséquence de la Loi Générale sur l'Assurance Vieillesse, mais seulement en matière de violation ou mauvaise application de ce qui est disposé dans ou en vertu des articles 1, alinéas 3 jusqu'au 7 inclus, 2, 3 et 6 de cette loi et des dispositions qui s'inspirent de ces articles.
Ce pourvoi est formé par l'envoi d'une demande de pourvoi en cassation au Conseil Cen-tral d'Appel dans undélai de six semaines après avoir reçu par courrier cette copie de la décision.