ECLI:NL:CRVB:2004:AR6622
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning WAO-uitkering na erkenning onrechtmatigheid eerste besluit en toekenning wettelijke rente
Appellant, die sinds 1984 in Nederland verblijft en sinds 2000 als productiemedewerker werkte, viel uit wegens schouder- en elleboogklachten. Na medisch onderzoek en een arbeidsdeskundig rapport werd vastgesteld dat appellant een verlies aan verdiencapaciteit had van 20%, wat resulteerde in een weigering van de WAO-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn.
Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep constateert dat het tweede besluit van gedaagde de onrechtmatigheid van het eerste besluit erkent en alsnog een WAO-uitkering toekent. De Raad oordeelt dat appellant recht heeft op wettelijke rente over de periode waarin de uitkering onterecht niet werd betaald.
De Raad bevestigt dat de belastbaarheid van appellant zorgvuldig is vastgesteld en dat het opleidingsniveau en de functies passend zijn. De Raad vernietigt het eerdere oordeel over het eerste besluit en veroordeelt gedaagde tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten. Het gestorte griffierecht wordt aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het eerste besluit wordt vernietigd, appellant krijgt alsnog een WAO-uitkering toegekend met wettelijke rente en vergoeding van proceskosten.