ECLI:NL:CRVB:2004:AR6800
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- M.I. ’t Hooft
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering en terugvordering wegens gezamenlijke huishouding
Appellanten zijn in hoger beroep gekomen tegen de intrekking van de bijstandsuitkering en de terugvordering van gemaakte kosten door het College van burgemeester en wethouders van Zeist. De rechtbank had de beroepen gegrond verklaard en de besluiten vernietigd wegens een deels onjuiste wettelijke grondslag, maar de rechtsgevolgen van de besluiten in stand gelaten.
In hoger beroep betwistten appellanten niet langer dat zij een gezamenlijke huishouding voerden in de periode van 1 december 1995 tot 1 december 1996, waardoor appellante geen recht had op bijstand als alleenstaande. Zij voerden aan dat bij de terugvordering geen rekening was gehouden met het recht op bijstand naar de norm voor gehuwden.
Verder stelde appellant dat hij niet was gewezen op het zwijgrecht voorafgaand aan verhoren door de Sociale Recherche. De Raad oordeelde dat dit niet tot de gewenste gevolgen leidt, omdat uit het procesverbaal blijkt dat appellant wel degelijk op zijn rechten was gewezen en het procesverbaal door hem was ondertekend.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak voor zover deze was aangevochten en vond geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellanten niet hadden aangetoond dat zij recht hadden op bijstand over de betreffende periode.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstandsuitkering en de terugvordering van kosten wegens gezamenlijke huishouding.