ECLI:NL:CRVB:2004:AR6833
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding
Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Breda, waarin het bezwaar tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig indienen van de gronden van het bezwaar. De rechtbank oordeelde dat appellant na ontvangst van de brief waarin hij werd uitgenodigd de gronden aan te geven, nog voldoende tijd had om dit te doen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en stelt vast dat appellant geen bewijs heeft geleverd van een toezegging van gedaagde dat de termijn zou zijn verlengd. Gedaagde heeft bovendien ontkend dat een dergelijke toezegging is gedaan. De Raad concludeert dat gedaagde bevoegd was het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 6:6 Awb Pro in samenhang met artikel 6:5 Awb Pro.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het besluit van gedaagde onredelijk maken. Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar bevestigd.