ECLI:NL:CRVB:2004:AR7164
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zorgvuldigheid en motivering bij vaststelling WAO-arbeidsongeschiktheid
Betrokkene ontving sinds 1998 een WAO-uitkering wegens rugklachten met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV trok deze uitkering per 27 december 1999 in, stellende dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Na bezwaar wijzigde het UWV dit naar een arbeidsongeschiktheid van 25,15%, wat leidde tot een indeling in de klasse 25-35%.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat het medisch oordeel onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd was. De Centrale Raad van Beroep herzag deze beoordeling en stelde vast dat het UWV voldoende zorgvuldig te werk was gegaan bij het vaststellen van de medische beperkingen. De bezwaarverzekeringsarts gaf een plausibele toelichting op de verschillen in belastbaarheidspatronen uit 1997 en 1999.
De Raad concludeerde dat de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding de rechterlijke toets kan doorstaan. Er waren geen nieuwe medische gegevens die het oordeel van het UWV zouden ondermijnen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot vaststelling van de arbeidsongeschiktheid wordt ongegrond verklaard.