ECLI:NL:CRVB:2004:AR7311
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens afwezigheid medische urenbeperking
De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het besluit tot intrekking van een WAO-uitkering vernietigde wegens onvoldoende en onzorgvuldig medisch onderzoek.
Gedaagde was arbeidsongeschikt verklaard met een beperking van 55 tot 65%, maar het UWV trok de uitkering per 30 november 2000 in omdat gedaagde minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek naar de medische urenbeperking onvoldoende was en vernietigde het besluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het bezwaar zorgvuldig is behandeld, met meerdere medische beoordelingen, waaronder door verzekeringsartsen en de RIAGG. De Raad stelt vast dat op de datum in geding geen medische urenbeperking meer bestond en verklaart het hoger beroep van het UWV gegrond.
De Raad wijst op het ontbreken van een medische onderbouwing voor een urenbeperking en benadrukt dat de gegevens voldoende waren om tot een verantwoord oordeel te komen. De eigen mening van gedaagde over zijn gezondheidstoestand wordt niet doorslaggevend geacht.
Het bestreden besluit wordt in stand gelaten, de eerdere vernietiging door de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van gedaagde wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat op de datum in geding geen medische urenbeperking bestond.