Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR7357

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/5198 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenInvoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenBesluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en Wajong 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens geschiktheid voor geduide functies

Appellante ontving vanaf 22 februari 1999 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een medische en arbeidskundige beoordeling concludeerde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) dat zij per 30 november 1999 slechts 4% arbeidsongeschikt was en geschikt voor diverse functies, waarop de WAO-uitkering werd ingetrokken.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de beperkingen en belastbaarheid zorgvuldig waren vastgesteld en de arbeidsdeskundige de geschiktheid voor functies voldoende had gemotiveerd. Appellante bracht geen medische stukken aan die het oordeel konden betwijfelen.

In hoger beroep voerde appellante aan dat haar arbeidsongeschiktheid onjuist was ingeschat, dat de aanzegging niet correct was verricht en dat de besluitvorming willekeurig en traag was. De Raad stelde vast dat het Uwv traag had gehandeld, maar dit niet leidde tot onvoldoende zorgvuldigheid. De Raad vond ook dat appellante tijdens een gesprek op 23 september 1999 duidelijk was geïnformeerd over haar geschiktheid en dat het niet ontvangen van de aanzeggingsbrief daaraan niets afdeed.

De Raad concludeerde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen toereikend waren en dat appellante op en na 30 november 1999 in staat was de geduide functies te verrichten. De intrekking van de WAO-uitkering werd daarom bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 30 november 1999 wordt bevestigd.

Uitspraak

02/5198 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is mr. W.F.A.A.A.M. van de Pol, advocaat te Den Haag op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 september 2002,
nr. AWB 01/2943 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante is bij brief van 26 februari 2003 een nader stuk ingezonden.
Gedaagde heeft bij brief van 8 juli 2003 hierop gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 15 oktober 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Pol, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door G.M. Folkers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 26 september 2000 is aan appellante met ingang van 22 februari 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 19 juli 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde gehandhaafd zijn besluit van (eveneens)
26 september 2000, waarbij de aan appellante toegekende WAO-uitkering met ingang van 30 november 1999 is ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag, volgens welke bij appellante sprake is van beperkingen ten aanzien van met name staan, (trappen)lopen, knielen, kruipen, hurken, bovenhands werken, tillen, duwen, trekken en dragen. Hierop is een arbeids- kundige beoordeling gevolgd, volgens welke er met inachtneming van die beperkingen sprake is van geschiktheid tot het verrichten van een aantal functies, leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 4%.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat gedaagde in het belastbaarheidspatroon voldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellante. Appellante heeft in beroep geen medische stukken in het geding gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts. Mede in verband hiermee heeft de rechtbank het niet noodzakelijk geacht nader medisch deskundigenadvies in te winnen. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het besluit heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de omschrijvingen van de geduide functies passen binnen het opgestelde belastbaarheids- patroon. Voorzover sprake is van zogenoemde markeringen is afdoende gemotiveerd en aannemelijk gemaakt waarom deze markeringen geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellante op de in geding zijnde datum. Ten aanzien van appellantes grief dat de uitlooptermijn niet in acht is genomen overweegt de rechtbank dat tijdens een gesprek op 23 september 1999 door de arbeidsdeskundige aan appellante is meegedeeld dat zij geschikt werd geacht voor een aantal functies en dat de mate van arbeidsongeschiktheid daarom minder dan 15% was. Gelet hierop kan geen betekenis worden gehecht aan het feit dat appellante de brief van de arbeidsdeskundige van 28 september 1999 niet zou hebben ontvangen.
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid en de daarmee samenhangende belastbaarheid onjuist is ingeschat. De rechtbank had tot het oordeel moeten komen dat appellante wel degelijk volledig arbeidsongeschikt is. Voorts is gesteld dat de aanzegging niet juist is verricht. Indien appellante al mondeling is meegedeeld dat zij geen WAO-uitkering meer zal ontvangen, dan is haar dat in ieder geval toen niet duidelijk geweest. Om die redenen is een aanzeggingsbrief een vereiste voor de effectuering van de intrekking van de WAO-uitkering. Verder is naar voren gebracht dat appellante zich geschaad voelt in haar positie, met name om aan te tonen dat zij wel degelijk arbeidsongeschikt is per 30 november 1999, nu gedaagde onredelijk traag een besluit heeft genomen. Daarnaast is aangevoerd dat de besluitvorming willekeurig is geweest. Appellante werd immers op 22 februari 1999 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard en per 30 november 1999 0 tot 15%. Appellante acht dit niet begrijpelijk.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat gedaagdes verzekeringsartsen de voor appellante geldende beperkingen op een zorgvuldige wijze hebben vastgesteld. In de door appellante in hoger beroep overgelegde brief van psycholoog
Van Rhijn d.d. 1 oktober 1999 heeft de Raad ook geen aanknopingspunten gevonden voor meer of andere beperkingen voor appellante. Gelet op de vastgestelde beperkingen is de Raad van oordeel dat appellante op en na 30 november 1999 in staat was te achten de haar voorgehouden functies te vervullen. Hieraan doet niet af dat appellante begin 1999 nog geheel arbeidsongeschikt werd geacht. Deze arbeidsongeschiktheidsverklaring hield verband met het feit dat appellantes pijnklachten op dat moment ernstiger van aard waren en met de behandeling van die klachten op de pijnpoli toen nog niet was begonnen.
Ook wat het arbeidskundige aspect betreft berust het bestreden besluit naar ’s Raads oordeel op toereikende gronden.
De Raad kan appellante niet volgen in haar grief met betrekking tot de aanzegging. Dienaangaande overweegt hij dat -daargelaten of in casu het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en Wajong 1999 van toepassing is- gelet op de inhoud van het rapport van de arbeidsdeskundige van 28 september 1999 appellante tijdens haar gesprek met diezelfde deskundige op 23 september 1999 op een als voldoende zorgvuldig aan te merken wijze is geconfronteerd met haar geschiktheid voor de voor haar geduide functies en haar mate van arbeidsongeschiktheid per 30 november 1999. Derhalve moet het appellante duidelijk zijn geweest dat er een intrekkingsbesluit zou volgen. Het feit dat appellante de, wel door gedaagde verzonden, aanzeggingsbrief niet zou hebben ontvangen kan daar niet aan afdoen.
Tenslotte stelt de Raad vast dat gedaagde traag gehandeld heeft wat betreft de afgifte van het primaire besluit en het besluit op bezwaar. De Raad acht de periode van talmen echter niet zodanig lang dat op die grond gezegd zou moeten worden dat de besluitvorming niet voldoende zorgvuldig is geweest.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 november 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.