ECLI:NL:CRVB:2004:AR7361
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AAW-uitkering wegens niet voldoen inkomenseis door verzorging moeder
Appellant verzocht om een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), waarbij hij stelde dat hij inkomen had verworven door de verzorging van zijn hulpbehoevende moeder. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), weigerde de uitkering omdat appellant niet voldeed aan de inkomenseis.
De rechtbank Maastricht vernietigde het eerdere besluit en gaf gedaagde opdracht een nieuw besluit te nemen, omdat het onderzoek naar de hulpbehoevendheid van de moeder onvoldoende was. Na aanvullend onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts, waarbij ook de moeder werd bezocht en de huisarts werd geraadpleegd, concludeerde gedaagde dat de moeder niet zodanig hulpbehoevend was dat appellant als inkomen verworven kon worden beschouwd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek nu voldoende zorgvuldig en diepgaand was uitgevoerd. De stelling van appellant dat het onderzoek onbetrouwbaar was wegens de beperkingen van zijn moeder werd niet onderbouwd. De Raad volgde het oordeel dat de moeder niet in een toestand verkeerde die geregeld oppassing en verzorging vereiste die de arbeidstijd van appellant geheel of bijna geheel in beslag nam. Het hoger beroep van appellant werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de AAW-uitkering wegens niet voldoen aan de inkomenseis.