ECLI:NL:CRVB:2004:AR7368
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking kinderbijslag met terugwerkende kracht wegens duurzame ontwrichting gezinssituatie
Appellant ontving kinderbijslag voor zijn drie kinderen die met hun moeder in Marokko verbleven. Na onderzoek bleek dat de kinderen sinds 30 juni 1999 niet meer tot het huishouden van appellant behoorden en dat appellant sinds 26 mei 1999 geen onderhoud meer leverde. De echtgenoten zijn inmiddels gescheiden.
Gedaagde, de Sociale verzekeringsbank, besloot de kinderbijslag met terugwerkende kracht in te trekken en de te veel betaalde bedragen terug te vorderen. Appellant voerde aan dat hij niet wist waar zijn gezin verbleef en dat hij in de veronderstelling verkeerde dat zijn echtgenote zou terugkeren, waardoor er geen duurzame ontwrichting was op 1 juli 1999.
De Raad oordeelt dat de feitelijke situatie bepalend is en dat de duurzame breuk reeds vanaf het derde kwartaal 1999 aanwezig was. Het ontbreken van onderhoud en contact bevestigt dit. Het achteraf betaalde alimentatie kan niet worden toegerekend aan de betreffende kwartalen en voldeed niet aan de minimale onderhoudsbijdrage.
De Raad stelt dat gedaagde terecht heeft gehandeld conform het beleid en wettelijke bepalingen omtrent herziening en intrekking van kinderbijslag. Er zijn geen dringende redenen om af te zien van terugwerkende intrekking. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de kinderbijslag met terugwerkende kracht vanaf het derde kwartaal 1999 wordt bevestigd.