ECLI:NL:CRVB:2004:AR7371
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering vrijstelling verzekeringsplicht AOW wegens onvoldoende pensioenhoogte
Appellant verzocht om vrijstelling van de verzekeringsplicht op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), Algemene nabestaandenwet (Anw) en Algemene Kinderbijslagwet (AKW), omdat hij een Belgisch rustpensioen ontving en geen arbeid verrichtte in Nederland. De Sociale verzekeringsbank wees dit verzoek af, omdat het pensioen niet ten minste 70% van het Nederlandse minimumloon bedroeg.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant sinds het beëindigen van zijn Belgische werkzaamheden onder de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving valt volgens verordening nr. 1408/71. Appellant stelde in hoger beroep dat de Nederlandse regelgeving in strijd is met het gemeenschapsrecht en dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom hij niet langer onder het Belgische stelsel viel.
De Raad overwoog dat appellant sinds 1994 niet langer verzekerd was in België en in de jaren 1997-1999 in Nederland werkte en woonde, waardoor hij onder Nederlandse wetgeving valt. De mogelijkheid om zich tot Belgische instanties te wenden voor bepaalde risico’s doet hieraan niet af. Het pensioen voldoet niet aan de hoogtevereiste voor vrijstelling, zodat de weigering terecht is. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en ziet geen reden voor toepassing van bestuursrechtelijke herstelmaatregelen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van vrijstelling van de verzekeringsplicht omdat het pensioen niet voldoet aan de vereiste hoogte.